wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Persoonsvorm tegenwoordige tijd 2F

Total questions: 21

Worksheet time: 1hrs 2mins

Name
Class
Date
1.

Daniëlle (houden) van lezen

a)

houdt

b)

houd

c)

hout

2.

Vul de juiste vorm van de tegenwoordige tijd in.

Christian (vinden) Beneden-Leeuwen een mooi dorp.

a)

vind

b)

vindt

c)

vinden

d)

vint

3.
Els (werken) in de grote stad.
a)
werk
b)
werken
c)
werkdt
d)
werkt
4.
Ik (zoeken) mijn handtas.
a)
zoekt
b)
zoeken
c)
zocht
d)
zoek
5.
(Worden) je ook gek van dat werkje?
a)
Worden
b)
Wordt
c)
Word
d)
Wort
6.
(Vinden) je zus deze jurk ook zo mooi?
a)
Vind
b)
Vint
c)
Vindt
d)
Vinden
7.
De dames (maken) zich op voor het feest.
a)
maakten
b)
maak
c)
maakt
d)
maken
8.
(Worden) jij de volgende kampioen?
a)
Wordt
b)
Word
c)
Worden
d)
Wort
9.

Sanne (fietsen) helemaal naar huis.

a)

fiets

b)

fietst

c)

fietste

d)

fiestt

10.
(Binden) je mij  veter even vast?
a)
Bindt
b)
Bind
c)
Binden
d)
Bint
11.
Hij (reizen) heel graag.
a)
reis
b)
reizt
c)
reisd
d)
reist
12.

Liv (feliciteren) haar broer voor zijn verjaardag.

a)

felicetert

b)

feliciteert

c)

feliciteer

d)

feliciteerde

13.

Deze deken (pluizen) steeds meer.

a)

pluizen

b)

pluist

c)

pluizt

d)

pluiz

14.

(Bakken) je vader heerlijke pannenkoeken?

a)

Bak

b)

Bakt

c)

bakt

d)

Bakken

15.

Hoe vind je de persoonsvorm in een zin?

a)

De zin vragend maken, pv komt vooraan.

b)

De zin in een andere tijd zetten, pv verandert mee.

c)

De zin in enkelvoud of meervoud zetten, pv verandert mee.

d)

Alle opties zijn goed

16.

Wanneer gebruik je de tegenwoordige tijd?

a)

Als iets nu gebeurt

b)

Als iets later gebeurt

c)

Als iets al voorbij is

d)

Als iets nu gebeurt en als iets later gebeurt

17.

Hoe maak je de stam van een werkwoord?

a)

-en van het hele werkwoord afhalen

b)

't ex-kofschip gebruiken

c)

Het werkwoord langer te maken

d)

Het werkwoord vooraan de zin te zetten

18.

Tegenwoordige tijd


Zij (lezen) ... voor uit het spannende boek.

a)

leesden

b)

lees

c)

lezen

d)

leest

19.

Tegenwoordige tijd


Bas (vinden) ... Amsterdam een mooie stad.

a)

vind

b)

vindt

c)

vinden

d)

vint

20.

Welke zin staat in de tegenwoordige tijd?

a)

De kat zit in de boom.

b)

De kat zat in de boom.

21.

Tegenwoordige tijd


Kristine (feliciteren) ... hem voor zijn verjaardag.

a)

felicetert

b)

feliciteert

c)

feliciteer

d)

feliciteerde