wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

voedseltechnologie toets 1

Total questions: 35

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Wat is geen Macronutrient?

a)

Koolhydraten

b)

Eiwitten

c)

Spoorelementen

d)

Vetten

2.

Wat zijn macronutrienten?

a)

Nutrienten die in kleine hoeveelheden is voedingsmiddelen voorkomen

b)

Nutrienten die geen energie leveren

c)

Nutrienten die weinig energie opleveren

d)

Nutrienten die in grote hoeveelheden is voedingsmiddelen voorkomen

3.

Wat zijn micronutrienten?

a)

Nutrienten die in kleine hoeveelheden in voeding voorkomen?

b)

Nutrienten die energie leveren

c)

Nutrienten die in grote hoeveelheden in voeding voorkomen?

d)

Nutrienten die in grote hoeveelheden voorkomen in voeding

4.

Wat zijn de Micronutrienten?

a)

Vitamines, Mineralen, Spoorelementen

b)

Vitamines, Mineralen, Schimmelelementen

c)

Vet, Mineralen, Spoorelementen

d)

Vitamines, Macronutrienten, Spoorelementen

5.

Wat is geen genotstof?

a)

Kleurstof

b)

Geurstof

c)

Klefstof

d)

Smaakstof

6.

Wat moet vermeldt staan bij de voedingswaardedeclaratie?

a)

Ingrediënten

b)

Allergie

c)

ADI

d)

Aantrekkelijkheid van het product

7.

Wat is belangrijk bij genotswaarde?

a)

Smaak geur en uiterlijk

b)

Klef, mals, droog, korrelig, romig, krokant

c)

Het geluid van het eten

d)

Hoe het gepresenteerd wordt

8.

Wat zijn genotsmiddelen?

a)

Dit zijn producten die invloed hebben op het bewustzijn van de gebruiker

b)

Dit zijn producten die mogelijk invloed hebben op het bewustzijn van de gebruiker

c)

Dit zijn producten die natuurlijk in het voedsel voorkomen

d)

Dit zijn producten die op een niet-natuurlijke in het voedsel voorkomen

9.

Wat is geen genotsstof?

a)

Genotstoffen die van nature in voedsel voorkomen

b)

Genotsstoffen die bij de bereiding van voedsel ontstaan

c)

Genotstoffen die invloed hebben op het bewustzijn van de gebruiker

d)

Genotstoffen die bij de bereiding worden toegevoegd

10.

Wat is verzadiging?

a)

Wanneer je honger hebt

b)

Wanneer je trek hebt

c)

Wanneer je voldaan bent

d)

Wanneer je vol zit

11.

Wat speelt een grote rol bij een onverzadigd gevoel?

a)

Veel beweging

b)

Veel eten

c)

Grotere eetlust

d)

Honger

12.

We eten totdat er ............. optreedt

a)

Eetlust

b)

Verzadiging

c)

Onverzadiging

d)

Paul de Leeuw

13.

Wat heeft invloed op de eetlust?

a)

Geur

b)

Kleur

c)

Consistentie

d)

Temperatuur

e)

Presentatie

14.

Wat leidt tot verzadiging?

a)

Kauwbewegingen

b)

Snel eten

c)

Weinig kauwen

d)

Veel drinken

15.

Wat is niet juist over koolhydraten?

a)

Zijn nodig als brandstof

b)

Je kan ze niet zelf aanmaken

c)

De meeste koolhydraten worden via glucose aan onze voeding toegevoegd

d)

Zijn de grootste energiebron voor de meeste mensen

e)

Goede voeding van een volwassene bestaat uit 40-70% uit koolhydraten

16.

Wat wordt er gemaakt van koolhydraten?

a)

Glucose

b)

Suiker

c)

Glycorine

d)

Animozuren

17.

De belangrijkste rol van Eiwitten zijn:

a)

Het leveren van bouwstoffen

b)

Het leveren voor de groei

c)

Het aanmaken van de animozuren

d)

Het bevorderen van herstel van lichaamsweefels

18.

Hoeveel animozuren kan ons lichaam zelf aanmaken?

a)

22

b)

20

c)

8

d)

12

19.

Wat zorgt ervoor dat het eiwit wordt afgebroken?

a)

De enzymen

b)

De spijsvertering

c)

De aminozuren

d)

De vetten

20.

Waar zijn enzymen uit opgebouwd?

a)

Eiwitten

b)

Koolhydraten

c)

Vetten

d)

Mineralen

21.

Wat versnellen de enzymen?

a)

Chemische omzettingen

b)

Splitsingsstoffen

c)

Het spijsverteringskanaal

d)

De doorloop van het voedsel van de darm naar de anus

22.

Welke eigenschappen hebben de enzymen niet?

a)

Werkzaam in grote hoeveelheden

b)

Beinvloeden de snelheid van de chemische reacties

c)

Ze zijn onveranderd aanwezig

d)

ze zijn optimaal werkzaam bij 37 graden celsius

e)

Ze kunnen slechts één bepaalde reactie beinvloeden

23.

Waar worden vetten niet voor gebruikt?

a)

Energie

b)

Oplossen en transport van vitamines

c)

Warmte isolatie

d)

Lichaamszweet

e)

Bescherming en bouwstof

24.

Hoeveel kcal levert 1 gram vet?

a)

4

b)

7

c)

8

d)

9

25.

Vetten zorgen voor de opnames van welke vitamines?

a)

acek

b)

adek

c)

sdek

d)

scek

26.

Waarom is je lichaamsvet een belangrijke warmtebron?

a)

Omdat je er genoeg van hebt

b)

Omdat het je beschermt tegen de kou

c)

Omdat het je beschermt tegen ziektes

d)

Omdat je het anders te warm zou krijgen

27.

Waar beschermen je onverzadigde vetzuren je tegen?

a)

De fysieke bescherming van de kwetsbare organen

b)

Tegen verschillende ziektes

c)

Het oplossen van ADEK

d)

Houdt de warmte regulatie in stand

28.

Uit hoeveel % bestaat het lichaam uit water?

a)

65-70

b)

50-70

c)

60-70

d)

60-75

29.

Water speelt een belangrijke rol in?

a)

Bouwstof

b)

Transport en Oplosmiddel

c)

Warmteregulator en Vertering

d)

Bescherming en Adrenaline

30.

Wat is waar over het transportmiddel in water?

a)

Zonder water zou het niet kunnen functioneren

b)

Zorgt voor het transport van afvalstoffen en cellen

c)

Zorgt voor het transport van de koolhydraten en niet de eiwitten

d)

In noodsituaties kan je als vrouw water uit de eileiders halen

31.

Zorgt water van het transport van bloedcellen en hormonen?

a)

Ja

b)

Nee

32.

Wat gebeurd er bij een te hoge warmteproductie bij water?

a)

Het verdampt

b)

Je gaat zweten

c)

Er gebeurd niks

d)

Je moet er sneller door plassen

33.

Waarom is het belangrijk dat er water bij de vertering plaatsvindt?

a)

Zodat het kan doorglijden

b)

Zodat het geen pijn doet in de maag

c)

Zodat je lichaamsweefsels zich kunnen focussen op andere processen

34.

Welke lichaamsweefsels hebben water nodig tegen het krijgen van schokken?

a)

Been

b)

Foetus

c)

Ruggenmerg

d)

Ogen

e)

Hersenen

35.

Dit duurde lang he?

a)

JA

b)

JAWEL PAPA