wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Test HST4 mavo

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Waaraan kun je een argument herkennen?

a)

je kunt het controleren: waar of niet waar

b)

je herkent het aan signaalwoorden: ik vind en volgens mij

c)

je herkent het aan signaalwoorden: want, omdat, namelijk en immers

2.

Waar is deze zin een voorbeeld van? Je mag tijdens een examen met een potlood schrijven.

a)

feit

b)

mening

c)

geen van beide

3.

Vaste voorzetsels kun je niet vervangen

a)

Juist

b)

Onjuist

4.

Welke van de onderstaande combinatie is geen vast voorzetsel

a)

bestaat uit

b)

houden van

c)

springen met

5.

De voorzetseluitdrukking 'als gevolg van' kun je vervangen door een ander voorzetsel, namelijk:

a)

voor

b)

door

c)

na

6.

De kern is een:

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

bijwoord

7.

wat is de bijvoeglijke bepaling in deze zin? Gerda zingt een heel mooi liedje voor zijn oma.

a)

Gerda

b)

Voor zijn oma

c)

Heel mooi

8.

er kunnen meerdere bepalingen bij een zelfstandig naamwoord horen

a)

juist

b)

onjuist

9.

Het huis heeft een balkon op het zuiden. Wat is de bijvoeglijke bepaling?

a)

Het huis

b)

Op het zuiden

c)

Een balkon

10.

welke rijtje is goed als je onbepaalde voornaamwoorden zoekt?

a)

iemand niemand ik

b)

ik jij hij

c)

iedereen men alles

11.

Mijn zus heeft niets aan haar vriend. Wat is het onbepaald voornaamwoord

a)

Mijn zus

b)

niets

c)

aan haar vriend

12.

Leestekens, een puntkomma gebruik je niet alleen met lange opsommingen.

a)

juist

b)

onjuist

13.

Welke aanhalingstekens zijn juist gebruikt?

a)

Morgen moet ik naar school, 'zei Anton'.

b)

'Morgen' moet ik naar school, zei Anton.

c)

'Morgen moet ik naar school', zei Anton.

14.

Als je twee persoonsvormen in de zin moet vinden, verander je van tijd en getal

a)

juist

b)

onjuist

15.

wat zijn de persoonsvormen in deze zin: Tim vertelt dat hij ons elke dag belt vanuit Duitsland

a)

vertelt en vanuit

b)

vertelt en belt

c)

hij elke dag