wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Begrippen 1 voedseltechnologie

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Nutrient

a)

Ander woord voor voedingstof

b)

Ander woord voor voedsel

c)

Ander woord voor voedingschema

d)

Ander woord voor voeding

2.

Essentieel

a)

Misbaar

b)

Onmisbaar

3.

Sensorische eigenschappen

a)

Hoe de consument het koopt

b)

Hoe de consument het ziet

c)

Hoe de consument het ruikt

d)

Hoe de consument het ervaart

4.

Genotmiddelen

a)

Producten die geen invloed hebben op het bewustzijn van de gebruiker

b)

Producten die invloed hebben op het bewustzijn van de gebruiker

c)

Producten die invloed hebben op het bewustzijn van de verbruiker

d)

Producten die invloed hebben op het bewustzijn van de verbruiker

5.

‘Het water loopt me in de mond’:

a)

De speeksel- en darmproductie komt al op gang voordat je eet

b)

De speeksel- en zintuigproductie komt al op gang voordat je eet

c)

De maagzweer- en maagsapproductie komt al op gang voordat je eet

d)

De speeksel- en maagsapproductie komt al op gang voordat je eet

6.

Aminozuren

a)

Bouwstoffen

b)

Kleurstoffen

c)

Gifstoffen

d)

Huisstoffen

7.

Enzymen (splitsingsstoffen)

a)

Organische stoffen, opgebouwd uit cellen

b)

Organische stoffen, opgebouwd uit water

c)

Organische stoffen, opgebouwd uit spieren

d)

Organische stoffen, opgebouwd uit eiwitten

8.

Lege calorieën

a)

Producten zoals snacks, sauzen die voornamelijk energie leveren en niet veel bijdragen aan de voorziening van de microvoedingsstoffen.

b)

Producten zoals groente en fruit die voornamelijk energie leveren en niet veel bijdragen aan de voorziening van de microvoedingsstoffen.

c)

Producten zoals vezels en granen, die voornamelijk energie leveren en niet veel bijdragen aan de voorziening van de microvoedingsstoffen.

d)

Producten zoals Water en appelsap die voornamelijk energie leveren en niet veel bijdragen aan de voorziening van de microvoedingsstoffen.

9.

Triglyceride

a)

Een soort cel in je bloedbaan dat aan de wand van je bloedvaten plakt.

b)

Een soort vet in je bloedbaan dat aan de wand van je bloedvaten plakt.

c)

Een soort vloeistof in je bloedbaan dat aan de wand van je bloedvaten plakt.

d)

Een soort celmembraam in je bloedbaan dat aan de wand van je bloedvaten plakt.

10.

Hoeveel energie levert het?

a)

1 Gram vet levert 7 kcal, koolhydraten en eiwit leveren 4 kcal per gram.

b)

1 Gram vet levert 2 kcal, koolhydraten en eiwit leveren 4 kcal per gram.

c)

1 Gram vet levert 5 kcal, koolhydraten en eiwit leveren 5 kcal per gram.

d)

1 Gram vet levert 9 kcal, koolhydraten en eiwit leveren 4 kcal per gram.

11.

Natrium

a)

Keukenzout

b)

Jodium

c)

Zwavel

d)

Suiker

12.

Allergie

a)

Een reactie van het dierlijk afweersysteem op stoffen van buitenaf waar het lichaam normaal gesproken niet heftig op hoort te reageren.

b)

Een reactie van het menselijk afweersysteem op stoffen van buitenaf waar het lichaam normaal gesproken niet heftig op hoort te reageren.

c)

Een reactie van het menselijk afweersysteem op stoffen van buitenaf waar het lichaam normaal gesproken op hoort te reageren.

d)

Een reactie van het menselijk afweersysteem op voedingstoffen van buitenaf waar het lichaam normaal gesproken niet heftig op hoort te reageren.

13.

Allergenen

a)

Stoffen die een reactie veroorzaken

b)

Stoffen die een heftige reactie veroorzaken

14.

Anafylactische reactie

a)

Dit is een zeer ernstige of zelfs fatale allergische reactie die plotseling optreedt en waarbij meerdere organen betrokken zijn.

b)

Dit is een zeer onschuldige allergie die plotseling optreedt en waarbij meerdere organen betrokken zijn.

15.

Dieet

a)

Voeding die aan een specifieke leefregel voldoet

b)

Voeding die je aan het einde van het jaar eet

16.

Natriumbeperkt dieet

a)

Zoutarm

b)

Suikerarm

c)

Eiwitarm

d)

Koolhydraatarm

17.

Cholesterolbeperkt dieet

a)

Beperken van verzadigde vetzuren

b)

Beperken van onverzadigde vetzuren

18.

Energiebeperkt dieet

a)

Rekening gehouden met de hoeveelheid vetten en suikers

b)

Rekening houden met de hoeveelheid vetten en eiwitten

19.

Dieet voor diabetici

a)

Hier word gelet op de koolhydraten (suikers) maar ook op de hoeveelheid vetten. Met name het cholesterol

b)

hier word gelet op de Eiwitten (aminozuren) maar ook op de hoeveelheid vetten. Met name het cholesterol

20.

Lactosevrij dieet

a)

Die mensen zijn willen geen lactosevrije producten uit geloofsovertuiging

b)

Veel mensen zijn lactose intolerant, de darmen kunnen de melksuikers niet goed verteren, zoals melk, yoghurt en vla

21.

Glutenvrij dieet

a)

Word voorgeschreven aan mensen met Coeliakie (intolerantie voor gluten). Dit beschadigd het slijmvlies van de dunne darm bij mensen met coeliakie.

b)

Word voorgeschreven aan mensen met Coeliakie (intolerantie voor gluten). Dit beschadigd het slijmvlies van de dikke darm bij mensen met coeliakie.

22.

Gluten

a)

Koolhydraten wat voorkomt in tarwe, rogge, gerst, spelt.

b)

Eiwit wat voorkomt in tarwe, rogge, gerst, spelt.

23.

Proteïne

a)

Ander woord voor eiwitten

b)

Ander woord voor vezels

24.

Eiwitten van dierlijke oorsprong

a)

Melk, ei, vis, gevogelte, wild en vlees.

b)

Granen, peulvruchten, aardappelen, groente, sojaproducten en zeewier.

25.

Eiwitten van plantaardige oorsprong

a)

Melk, ei, vis, gevogelte, wild en vlees.

b)

Granen, peulvruchten, aardappelen, groente, sojaproducten en zeewier.

26.

Essentiele aminozuren

a)

Dit zijn bouwstoffen die je lichaam zelf kunt aanmaken, als je lichaam er niet genoeg van krijgt (plantaardig)

b)

Dit zijn bouwstoffen die je uit je voeding moet halen, deze kan je lichaam niet zelf aanmaken. (dierlijk)

27.

Niet essentiële aminozuren

a)

Dit zijn bouwstoffen die je lichaam zelf kunt aanmaken, als je lichaam er niet genoeg van krijgt (plantaardig)

b)

Dit zijn bouwstoffen die je uit je voeding moet halen, deze kan je lichaam niet zelf aanmaken. (dierlijk)

28.

Eiwitten worden op de volgende manieren wel toegepast in de voedingsbranche

a)

Als voedselbron (vlees, vis)

b)

Als vochtbindmiddel (vleeswaren, pasta)

c)

Als emulgator om water met olie te binden (mayonaise) en als bind- en plakmiddel.

d)

Als schuimvormer (noga, schuimpjes)

e)

Tijdens de productie van eten, door het verharden van olie en vet.

29.

Emulgator

a)

Dit is een stof die je helpt bij het mengen van 2 stoffen die normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn.

b)

Dit is een stof die je helpt bij het mengen van 4 stoffen die normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn.

30.

Een stof die je helpt bij het mengen van 2 stoffen die normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn heet een....

a)

Emulgator

b)

Emulsie