wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoorden (gelijk aan Quizlet)

Total questions: 63

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.
a)

Zitten

b)

Ziten

c)

Zieten

d)

Zietten

2.
a)

Staan

b)

Setaan

c)

Stoen

d)

Steen

3.
a)

Slaan

b)

Staan

c)

Lopen

d)

Aanraken

4.
a)

Zoeken

b)

Zeoken

c)

Vinden

d)

Geven

5.
a)

Dromen

b)

Slapen

c)

Nadenken

d)

Leren

6.
a)

Werken

b)

Lachen

c)

Geven

d)

Praten

7.
a)

Vallen

b)

Opstaan

c)

Springen

d)

Testen

8.
a)

Glijden

b)

Lopen

c)

Vallen

d)

Beneden

9.
a)

Schaatsen

b)

Sporten

c)

Rennen

d)

Glijden

10.
a)

Pinnen

b)

Geven

c)

Verdienen

d)

Kopen

11.
a)

Uitstappen

b)

Instappen

c)

Rijden

d)

Overstappen

12.
a)

Instappen

b)

Uitstappen

c)

Overstappen

d)

Stappen

13.
a)

Fietsen

b)

Klimmen

c)

Pakken

d)

Maken

14.
a)

Rijden

b)

Kijken

c)

Lijken

d)

Bekijken

15.
a)

Uittrekken

b)

Aantrekken

c)

Wassen

d)

Strijken

16.
a)

Aantrekken

b)

Uittrekken

c)

Wassen

d)

Strijken

17.
a)

Springen

b)

Blij

c)

Staan

d)

Lopen

18.
a)

Snijden

b)

Bakken

c)

Koken

d)

Lachen

19.
a)

Koken

b)

Bakken

c)

Snijden

d)

Leren

20.
a)

Tellen

b)

Rekenen

c)

Lezen

d)

Praten

21.
a)

Luisteren

b)

Ruiken

c)

Zeggen

d)

Vertellen

22.
a)

Zien

b)

Horen

c)

Ruiken

d)

Proeven

23.
a)

Kijken

b)

Horen

c)

Blijven

d)

Zitten

24.
a)

Blijven

b)

Schijnen

c)

Lopen

d)

Staan

25.
a)

Verhuizen

b)

Vertellen

c)

Vermaken

d)

Verlaten

26.
a)

Wassen

b)

Kleuren

c)

Wateren

d)

Handen

27.
a)

Opstaan

b)

Afstaan

c)

Uitstaan

d)

Instaan

28.
a)

Strijken

b)

Wassen

c)

Knippen

d)

Plakken

29.
a)

Schoonmaken

b)

Schoon

c)

Opruimen

d)

Viesmaken

30.
a)

Opruimen

b)

Inruimen

c)

Uitruimen

d)

Aanruimen

31.
a)

Roepen

b)

Praten

c)

Luisteren

d)

Zingen

32.
a)

Horen

b)

Ruiken

c)

Proeven

d)

Voelen

33.
a)

Schrijven

b)

Schrjiven

c)

Shrijven

d)

Scrijven

34.
a)

Lezen

b)

Leezen

c)

Leizen

d)

Liezen

35.
a)

Leren

b)

Leeren

c)

Maken

d)

Pakken

36.
a)

Wijzen

b)

Vertellen

c)

Hebben

d)

Gaan

37.
a)

Betalen

b)

Verdienen

c)

Pinnen

d)

Maken

38.
a)

Kopen

b)

Strijken

c)

Wassen

d)

Gaan

39.
a)

Pakken

b)

Geven

c)

Krijgen

d)

Neerleggen

40.
a)

Zeggen

b)

Zoggen

c)

Zaggen

d)

Ziggen

41.
a)

Spreken

b)

Lachen

c)

Hoesten

d)

Tekenen

42.
a)

Praten

b)

Fietsen

c)

Kijken

d)

Lezen

43.
a)

Drinken

b)

Driknen

c)

Dirnken

d)

Driken

44.
a)

Eeten

b)

Eten

c)

Eteen

d)

Etene

45.
a)

Geven

b)

Pakken

c)

Willen

d)

Betalen

46.
a)

Ligen

b)

Liggen

c)

Loggen

d)

Leggen

47.
a)

Liggen

b)

Slapen

c)

Lachen

d)

Hoesten

48.
a)

Rennen

b)

Renen

c)

Rannen

d)

Rinnen

49.
a)

Lopen

b)

Fietsen

c)

Rennen

d)

Paardrijden

50.

Wij ....... naar huis.

a)

Gaan

b)

Willen

c)

Maken

d)

Hebben

51.

Zij ...... moe

a)

Zijn

b)

Is

c)

Heeft

d)

Hebt

52.

Zij ............. een hond

a)

heeft

b)

hebt

c)

hebben

d)

zijn

53.

Wij .................... water.

a)

Drinken

b)

Drinkt

c)

Drink

54.

Zij ......................... 1 jaar.

a)

Wordt

b)

Word

c)

Worden

55.

Hij ................ goed.

a)

Luisteren

b)

Luistert

c)

Luister

56.

Ik ............ een brief

a)

Schrijf

b)

Schrijven

c)

Schrijft

57.

De twee meisjes ................. samen.

a)

loopt

b)

lopen

c)

Loop

58.

Abdul .................. naar zijn telefoon.

a)

Kijkt

b)

Kijk

c)

Kijken

59.

Ik ...................

a)

teken

b)

Tekent

c)

Tekenen

60.

De hond .....................

a)

Blijven

b)

Blijft

c)

Blijf

61.
a)

Opletten

b)

Afleggen

c)

Inleven

d)

Uitleggen

62.
a)

Vergeten

b)

Willen

c)

Geven

d)

Mogen

63.
a)

Tikken

b)

Lachen

c)

Willen

d)

Luisteren