wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Das schwache Verb

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

werfen - warf -geworfen is een voorbeeld van een

a)

een sterk werkwoord

b)

een zwak werkwoord

c)

een onregelmatig werkwoord

d)

een modaal werkwoord

2.

Werkwoorden met stam op -d/-t; wat gebeurt er in de 'du, er/sie/es, ihr-vorm'?

a)

er komt een extra 'e' tussen

b)

er komt geen extra 'e' tussen

c)

de 's' valt weg

3.

Jij rijdt paard =

a)

du reitst

b)

du reitest

c)

du reitetest

d)

du reitest Pferd

4.

Jij spreekt

a)

du redest

b)

du redst

c)

du redtst

d)

du redetest

5.

Mark chat

a)

Mark chatt

b)

Mark chattet

c)

Mark chattest

d)

Mark chattete

6.

Men feliciteerde

a)

Man gratuliert

b)

Mann gratuliert

c)

Man gratulierte

d)

Man gratuliertet

7.

jullie werken

a)

ihr arbeit

b)

ihr arbeiten

c)

ihr arbeiteten

d)

ihr arbeitet

8.

Ilse reist

a)

Ilse reisst

b)

Ilse reiset

c)

Ilse reist

d)

Ilse reistet

9.

Zij hebben gesport

a)

sie haben gesport

b)

sie haben Sport gemacht

c)

sie haben gesportet

d)

sie hatten gesportet

10.

U heeft gespeld

a)

sie haben gespellt

b)

sie haben gebuchstabiert

c)

sie haben buchstabiert

d)

sie haben Buch gestabiert

11.

jij wandelde

a)

du spaziertest

b)

du spazierst

c)

du spaziers

d)

du spazierte

12.

wij hebben gezet

a)

wir haben gezeltet

b)

wir hatten gestellt

c)

wir haben gestellt

d)

wir haben gestellet

13.

zij heeft geopend

a)

sie hat geöffnet

b)

sie hat öffnet

c)

sie hatte geöffnet

d)

sie hat geöffnt

14.

U heeft nodig gehad

a)

Sie haben braucht

b)

Sie haben gebrauchtet

c)

Sie haben gebraucht

d)

Sie haben brauchtet

15.

zij ontkende

a)

sie leugnet

b)

sie leugnete

c)

sie leugnen

d)

sie leugnt

16.

hij volleybalde

a)

er spielte Volleyball

b)

er volleyballte

c)

er spielt Volleyball

d)

er volleyballt

17.

Jullie moeten je verheugen!

a)

Freue dich!

b)

Freuen Sie sich!

c)

Freut euch!

18.

reken!

a)

rechne!

b)

rechnet!

c)

rechnen Sie!

19.

Zij hebben (het) gepast

a)

sie haben (es) anprobiert

b)

sie haben (es) angeprobiert

c)

sie haben (es) geanprobiert

d)

sie haben (es) anprobiertet

20.

geknutseld

a)

gebastelt

b)

bastelet

c)

gebastelet

21.

Vertaal: kiezen

a)

wählen

b)

kiesen

c)

zeigen

d)

zelten

22.

Waarom zijn de volgende werkwoorden bijzonder: besuchen, erzählen, übernachten, gewinnen, verdienen, trainieren?

a)

ze krijgen in het voltooid deelwoord geen 'ge-'

b)

ze krijgen in het voltooid deelwoord geen '-t'

c)

het zijn sterke werkwoorden

d)

het zijn onregelmatige werkwoorden

23.

Wat is er bijzonder aan de volgende werkwoorden: volleyballen, hockeyen, computeren, sporten en voetballen?

a)

het zijn allemaal vrijetijdsbestedingen

b)

ze bestaan in het Duits uit twee delen, de combinatie zelfstandig naamwoord en werkwoord

c)

ze hebben een bepaald voorzetsel, bijvoorbeeld +3 of +4

d)

ze hebben een voltooid deelwoord zonder 'ge-' aan het begin

24.

heb jij beweerd?

a)

hast du bewehrt?

b)

hast du behaupt?

c)

behauptest du?

d)

hast du behauptet?

25.

Wat is er bijzonder aan de volgende werkwoorden: zeichnen, rechnen, öffnen, regnen, atmen, leugnen, begegnen?

a)

hun voltooid deelwoord begint niet met 'ge-'

b)

ze krijgen een extra 'e' bij de vormen du, er/sie/es, ihr en voltooid deelwoord.

c)

ze krijgen bij 'du' alleen de uitgang -t (in plaats van -st)

d)

ze worden vervoegd als 'spielen'