wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voorzetsel

Total questions: 14

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Verlangen jullie ook zo naar het weekend?

a)

ook

b)

zo

c)

naar

2.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Tijdens zijn eerste bezoek schaamde Johan zich voor zijn kleding.

a)

tijdens

b)

voor

c)

tijdens & voor

3.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Die man kijkt je tijdens het praten nooit aan.

a)

tijdens

b)

aan

c)

tijdens & aan

4.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Waarom knap jij dat klusje in het weekend niet op?

a)

in

b)

in & op

c)

op

5.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Heb je een verklaring voor je gedrag in de klas?

a)

voor

b)

voor & in

c)

in

6.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. De bakker op de hoek verkoopt broodjes met beleg.

a)

op

b)

op & met

c)

met

7.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Met de trein uit Zutphen kom je om drie uur aan.

a)

uit & aan

b)

om & aan

c)

uit & om

8.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Doe jij morgen mee met die sponsorloop?

a)

mee

b)

mee & met

c)

met

9.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. De spits van Ajax lag er gisteren weer uit.

a)

van

b)

van & uit

c)

uit

10.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Die verdediger van het andere team was al eerder uit de wedstrijd gehaald.

a)

van

b)

van & uit

c)

uit

11.

Voorzetsel of bijwoord? Op het circusterrein zitten leeuwen in veel te kleine kooitjes.

a)

bijwoord

b)

voorzetsel

12.

Voorzetsel of bijwoord? Wil je die rommel alsjeblieft niet naast de prullenbak gooien?

a)

bijwoord

b)

voorzetsel

13.

Voorzetsel of bijwoord? Vanmiddag ga ik eindelijk naar de kapper!

a)

bijwoord

b)

voorzetsel

14.

Voorzetsel of bijwoord? Zo kan ik echt niet langer met je werken!

a)

bijwoord

b)

voorzetsel