wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordsoorten

Total questions: 16

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.
De jarige heeft alle cadeaus uitgepakt
a)
jarige is een bijvoeglijk naamwoord
b)
jarige is een zelfstandig naamwoord
c)
jarige is een werkwoord
2.
Vanwege het slechte weer kon de veerpont niet varen.
a)
het is een bijvoeglijk naamwoord
b)
het is een lidwoord
c)
het is een bijwoord
3.
Naast de bank staat een tafel.
a)
naast is een bijvoeglijk naamwoord
b)
naast is een voorzetsel
c)
naast is een lidwoord
4.
Onze vissen leven in een grote vissenkom.
a)
grote is een bijvoeglijk naamwoord
b)
grote is een werkwoord
c)
grote is een voorzetsel
5.
De scheidsrechter heeft een gele kaart uitgedeeld.Welk schema klopt?
a)
lw/bnw/wwvz/znw/bnw/ww.
b)
lw/znw/ww/lw/bnw/znw/ww.
c)
lw/vz/ww/lw/vz/znw/ww/ww
6.
ww/lw/bnw/znw/bvn/znw
a)
heeft de rode auto goede remblokken?
b)
heeft mijn fiets een mooie bel?
c)
maakt je klasgenoot het huiswerk?
7.
De meeste leerlingen komen met de fiets naar school. Hoeveel voorzetsels zitten er in deze zin?
a)
4
b)
2
c)
1
d)
Geen
8.
Het meisje pakt een bekertje met water en zet haar tas neer.Welke zelfstandige naamwoorden staan er in deze zin? 
a)
meisje, bekertje, water, tas
b)
water, tas
c)
haar, meisje
9.

Benoem het onderstreepte woord. Ze hebben samen de overval gepleegd.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

10.

Benoem het onderstreepte woord. Ik vind dat een treurig nummer.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

11.

Benoem het onderstreepte woord. De zaag is door Jan op de plank gelegd.

a)

voorzetsel

b)

bijwoord

12.
De nieuwe fiets staat in de tuin.
a)
De=LW, nieuwe=BNW, fiets=ZNW, in=VZ en de=LW
b)
De=VZ, nieuwe=ZNW, fiets=ZNW, in=LW, de=VZ, tuin=ZNW
c)
De=LW, nieuwe=BNW, fiets=VZ, in=VZ en de=LW
13.
Op welke manieren kun je controleren of je te maken hebt met een zelfstandig naamwoord?
a)
Kijken of er twee voorzetsels in de buurt staan.
b)
Het woord in een andere tijd zetten.
c)
Een lidwoord ervoor zetten en er meervoud van maken.
14.
Een eigennaam zoals ''Jan'' is een ...
a)
Bijvoeglijk naamwoord
b)
Bijwoord
c)
Zelfstandig naamwoord
d)
Werkwoord
15.
Tussen een lidwoord en een zelfstandig naamwoord kan er een bijvoeglijk naamwoord staan.
a)
Juist
b)
Onjuist
16.
''Johan heeft de ...... televisie kapot gemaakt.''
Wat kan je op de plaats van de puntjes invullen?
a)
Werkwoord
b)
Bijvoeglijk naamwoord
c)
Voorzetsel
d)
Aanwijzend voornaamwoord