wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1H thema 5 en 6

Total questions: 59

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.
Welke van de volgende is geen gehoorbotje
a)
trommelvlies
b)
hamer
c)
aambeeld
d)
stijgbeugel
2.
Geen adequate prikkel voor je tong is
a)
geur
b)
smaak
c)
kou
d)
lichte aanraking
3.
Wat doet de buis van Eustachius?
a)
Trommelvlies soepel houden
b)
luchttrillingen doorgeven
c)
luchtdruk gelijk houden
d)
oor schoonhouden
4.
Waaraan zitten de oogspieren vast?
a)
hoornvlies
b)
harde oogvlies
c)
glasachtig lichaam
d)
straalvormig lichaam
5.

Als je gevoeliger wordt voor een adequate prikkel, dan is de drempelwaarde gestegen.

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Welke twee onderdelen kunnen de waarneming van prikkels beinvloeden volgens de theorie?

a)

Motivatie & alertheid

b)

Gewenning & vermoeidheid

c)

Motivatie & gewenning

d)

Gewenning & alertheid

7.

Welke zintuigen kunnen warmte waarnemen?

a)

Koudezintuigen

b)

Drukzintuigen

c)

Tastzintuigen

d)

Warmtezintuigen

8.

Een pijnpunt is...?

a)

Een vrij uiteinde van een zenuwcel

b)

Een zintuig in de tastknopjes

c)

slechts op enkele plekken in je lichaam te vinden

9.

Traanvocht komt uit de ... en wordt afgevoerd door de ...?

a)

Traanbuizen & traanklieren

b)

Traanklieren & Traanbuizen

c)

Harde oogvlies & traanklieren

d)

Traanbuizen & wimpers

10.

Als fel licht plots op je netvlies valt, dan...

a)

Spannen je kringspieren aan, waardoor je iris kleiner wordt

b)

Ontspannen je kringspieren waardoor de iris groter wordt

c)

Spannen je kringspieren aan, waardoor de pupil kleiner wordt

d)

Ontspannen je kringspieren, waardoor de pupil groter wordt

11.

Op deze plek op je netvlies liggen veel zintuigcellen

a)

Blinde vlek

b)

Gele vlek

c)

Oogzenuw

d)

Harde oogvlies

12.

Geluiden zijn ...

a)

Snel reizende deeltjes

b)

Trillingen in de lucht

13.

Wat gebeurt er wanneer de buis van Eustachius verstopt raakt?

a)

Dan is er een verschil in luchtdruk, wat de gevoeligheid van het zintuig negatief beinvloed

b)

Dit kan niet gebeuren, omdat het in verbinding staat met je keelholte

c)

Je trommelvlies knapt direct, omdat er te veel druk op komt te staan.

d)

Je oorsmeer zorgt er voor dat dit nooit kan gebeuren.

14.
Op de afbeelding zie je 
a)
de grijpreflex
b)
de terugtrekreflex
c)
de kniepeesreflex
d)
de pupilreflex
15.
Welke kleur heeft het slakkenhuis in de afbeelding?
a)
groen
b)
roze
c)
grijs
d)
rood
16.
Welke kleur heeft het trommelvlies in de afbeelding?
a)
groen
b)
roze
c)
grijs
d)
rood
17.
Welke kleur heeft de buis van Eustachius in de afbeelding?
a)
groen
b)
roze
c)
grijs
d)
rood
18.
Het deel dat nummer 3 aanwijst is
a)
het slakkenhuis
b)
de oorzenuw
c)
de buis van Eustachius
d)
het evenwichtszintuig
19.
Het deel dat nummer 2 aanwijst is
a)
het slakkenhuis
b)
de oorzenuw
c)
de buis van Eustachius
d)
het evenwichtszintuig
20.
Het deel dat nummer 4 aanwijst is
a)
het slakkenhuis
b)
de oorzenuw
c)
de buis van Eustachius
d)
het evenwichtszintuig
21.
Het deel dat nummer 1 aanwijst is
a)
het slakkenhuis
b)
de oorzenuw
c)
de buis van Eustachius
d)
het evenwichtszintuig
22.
De druk binnen en buiten het oor gelijk houden hoort bij nummer:
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
23.
Omzetten van prikkels naar impulsen hoort bij nummer:
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
24.
Nummer 13 is
a)
het hoornvlies
b)
het netvlies
c)
de gele vlek
d)
de ooglens
25.
Nummer 6 is
a)
het hoornvlies
b)
het netvlies
c)
de gele vlek
d)
de ooglens
26.
Nummer 8 is
a)
het hoornvlies
b)
het netvlies
c)
de gele vlek
d)
de ooglens
27.
Nummer 3 is
a)
de oogzenuw
b)
het netvlies
c)
de blinde vlek
d)
het vaatvlies
28.
Nummer 6 is
a)
de oogzenuw
b)
de gele vlek
c)
de blinde vlek
d)
het vaatvlies
29.
Voedingsstoffen en zuurstof naar het oog brengen hoort bij
a)
nummer 3
b)
nummer 6
c)
nummer 5
d)
nummer 8
30.
"hiermee kan de oogbol bewegen" hoort bij
a)
nummer 1
b)
nummer 6
c)
nummer 5
d)
nummer 8
31.
Uit welke twee lagen bestaat de opperhuid?
a)
opperhuid en kiemlaag
b)
hoornlaag en opperhuid
c)
hoornlaag en kiemlaag
d)
kiemlaag en lederhuid
32.
In welke laag van de huid vind je de zweetkliertjes?
a)
Opperhuid
b)
Lederhuid
c)
Onderhuids bindweefsel
33.
In welke laag van de huid vind je de zintuigen?
a)
Opperhuid
b)
Lederhuid
c)
Onderhuidsbindweefsel
34.
De iris is een voortzetting van
a)
het netvlies
b)
het vaatvlies
c)
het harde oogvlies
d)
het hoornvlies
35.

Wat zijn de namen van de botten met nummer 5 en 6?

a)

5=schouderblad en 6=spaakbeen

b)

5=ellepijp en 6=rib

c)

5=opperarmbeen en 6=borstbeen

d)

5=dijbeen en 6=borstbeen

36.

Over het skelet van het paard worden twee uitspraken gedaan: Petra - nummer 9 is het borstbeen en Kees - nummer 10 is het opperarmbeen. Wie heeft gelijk?

a)

alleen Petra

b)

alleen kees

c)

beide

d)

geen van beide

37.

Bekijk het kattenskelet. Welke beenverbinding bevindt zich tussen nummer 1 en 2?

a)

een kraakbeenverbinding

b)

een scharniergewricht

c)

een kogelgewricht

d)

een naad

38.

Tussen welke twee botten bevindt zich een kraakbeenverbinding?

a)

tussen de halswervels

b)

tussen schouderblad en opperarmbeen

c)

tussen de wervels in het heiligbeen

d)

tussen de schedelbotten

39.

Je ziet hier een type gewricht uit het menselijk lichaam. Op welke twee plekken komt dit type gewricht voor?

a)

in je schedel en tussen je vingerkootjes

b)

tussen het spaakbeen en ellepijp en in de knie

c)

in de schouder en in de elleboog

d)

in de heup en in de schouder

40.

Vijf voorbeelden van botten zijn: borstbeen - dijbeen - onderkaak - sleutelbeen - lendenwervels. wat is de goede volgorde van beneden naar boven in het skelet?

a)

sleutelbeen, borstbeen, lendenwervels, onderkaak, dijbeen

b)

onderkaak, borstbeen, sleutelbeen, lendenwervels, dijbeen

c)

onderkaak, sleutelbeen, borstbeen, lendenwervels, dijbeen

d)

dijbeen, lendenwervels, borstbeen, sleutelbeen, onderkaak

41.

Welk gewrichtsonderdeel wordt bedoeld met nummer 1?

a)

gewrichtskapsel

b)

kraakbeenlaagje

c)

gewrichtssmeer

d)

kapselband

42.

Welke twee onderdelen zorgen ervoor dat een gewricht soepel beweegt?

a)

het kraakbeenlaagje en het gewrichtskapsel

b)

de gewrichtskom en de gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer en het kraakbeenlaagje

d)

de kapselband en het gewrichtssmeer

43.

Wat zijn elkaars antagonisten? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

buikspier en rugspier

b)

biceps en triceps

c)

borstspier en dijspier

d)

buikspier en kuitspier

44.
Bevat een dijbeen van een oudere vooral veel kalk of veel lijmstof?
a)
Kalk
b)
Lijmstof
45.
Het kuitbeen wordt aangegeven met nummer
a)
Nummer 13
b)
Nummer 14
c)
Nummer 15
46.

Wat is geen functie van het skelet?

a)

Stevigheid

b)

Geeft vorm

c)

Zorgt voor hardheid

d)

Bescherming

47.
Welk type beenverbinding is zeer beweeglijk?
a)
Kraakbeenverbinding
b)
Gewrichten
c)
Naadverbinding
d)
Vergroeiing
48.
Welke organen worden door de ribbenkast beschermt?
a)
Hart
b)
Longen
c)
Hart en longen
d)
Slokdarm en maag
49.
Nummer 2 is de?
a)
gewrichtskogel
b)
gewrichtskom
c)
gewrichtssmeer
d)
kraakbeenlaagje
50.
Welk onderdeel zorgt voor bescherming tegen slijtage?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
51.

Welke beenderen vormen de borstkas?

a)

De wervelkolom en de ribben

b)

De borstwervels, de ribben en het borstbeen

c)

De ribben, het borstbeen en de sleutelbeenderen

d)

De borstwervels en de sleutelbeenderen

52.

Welke beenderen vormen samen de schoudergordel?

a)

Schouderbladen en de sleutelbeenderen

b)

De schouderbladen en de ribben

c)

De sleutelbeenderen en de ribben

d)

De sleutelbeenderen en de borstwervels

53.
Deze beer is een ...
a)
Teenganger
b)
Zoolganger
c)
Hoefganger
d)
Pootganger
54.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 6?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
55.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 11?
a)
Heiligbeen
b)
Staartbeen
c)
Heupbeen
d)
Bekken
56.

Wat is gedrag?

a)

Alles wat een organismen doen.

b)

Bewust gedrag van mens en dier.

c)

Alles wat een mens of dier doet.

d)

Onbewust en bewust gedrag van organimen.

57.

Wat is een voorbeeld van een inwendige prikkel?

a)

Warmte in het klaslokaal

b)

Honger

c)

Lichtstralen

d)

Koud water

58.

Gedrag ontstaat doordat dieren reageren op inwendige en uitwendige prikkels

a)

Goed

b)

Fout

59.

je spreekt van een gedragsketen als

a)

Er gepaard wordt

b)

een dier 2 keer dezelfde handeling verricht per minuut

c)

gedrag uit een serie vaste handelingen en vaste volgorde bestaat

d)

Als een dier in het wild ander gedrag laat zien dan in gevangenschap