Font size
WorksheetsHavo 2 eindtoets spelling en grammatica zinsdelen
Total questions: 105
Worksheet time: 1hrs 1mins
onderwerp
ik
Maandag heeft Sonja een wedstrijd in de stad.
Wat is het onderwerp in de zin hierboven?
Maandag
een wedstrijd
Sonja
heeft
Wat is het onderwerp?
Kleding / kopen / mijn vriendinnen / altijd / in de uitverkoop.
kleding
mijn vriendinnen
in de uitverkoop
Als ik thuis ben, ga ik een tosti maken. Wat is het lijdend voorwerp
ik
thuis
een tosti
maken
Plotseling hoorden we een hoge pieptoon. Wat is het lijdend voorwerp ?
plotseling
hoorden
pieptoon
een hoge pieptoon
De coach besprak de tactiek met de kinderen. Wat is het lijdend voorwerp?
de coach
de tactiek
de kinderen
besprak
Hoeveel bwb'en staan er in de zin? Waarschijnlijk zal Japan in 2015 door een robot een vlag laten planten op de maan.
2
3
4
Wat is het lijdend voorwerp in de zin? Met vliegenmaden werden in het verleden wonden gereinigd.
Met vliegemaden
wonden
Er staat geen lijdend voorwerp in de zin.
Wat is/zijn de bwb'en? De Eagle-capsule is in 1969 echt geland op de maan.
in 1969, op de maan
in 1969, echt, op de maan
echt, op de maan
op de maan
Hoeveel bwb's staan er in de zin? Veel automobilisten blijken niet te stoppen voor een oranje licht.
niet
voor een oranje licht
niet, voor een oranje licht
Welk zinsdeel is het onderstreepte deel?
Bij Nederlands zaten Bram en Kelly tijdens de toets voor Nora en Hans.
mv
bwb
lv
Welk zinsdeel is het onderstreepte deel? Hebben jouw vader en moeder jouw kleedgeld al aan jou overgemaakt
ow
lv
mv
Wat is het onderwerp in de zin? In 1977 werd bij Velsen het skelet van een Romein gevonden in een waterput.
Velsen
het skelet
Het skelet van een Romein
Romein
Is de zin juist of onjuist verdeeld in zinsdelen? In de aorta / stroomt / ons bloed/ vermoedelijk zo'n 5 kilometer per uur.
Juist
Onjuist
Wat is het onderstreepte zinsdeel? Marieke heeft haar vriendin Julia uitgenodigd voor haar verjaard.
Ow
Lv
Mv
Uit hoeveel zinsdelen bestaat de zin? Waarvoor wordt het metaal indium eigenlijk gebruikt?
4
5
6
[De leraar] gaf mij lachend een onvoldoende.
pv
ow
mv
ng
De leraar gaf [mij] lachend een onvoldoende.
wg
ow
mv
ng
De leraar gaf mij [lachend] een onvoldoende.
wg
ow
mv
ng
De leraar gaf mij lachend [een onvoldoende].
wg
ow
lv
ng
De leraar [gaf] mij lachend een onvoldoende.
wg
ow
lv
pv
[Gisteren] zag ik hem op de hoek van de Herengracht.
wg
ow
lv
bwb
Gisteren zag [ik] hem op de hoek van de Herengracht.
wg
ow
lv
bwb
Gisteren zag ik hem [op de hoek van de Herengracht].
wg
ow
lv
bwb
Gisteren zag ik [hem] op de hoek van de Herengracht.
wg
ow
lv
bwb
Wat is het ng in deze zin? "Het werd een groot succes".
een groot succes
werd
werd een groot succes
Het werd
Wat is het ng in deze zin? "De juf schijnt leuk te zijn".
leuk zijn
schijnt
schijnt te zijn
schijnt leuk te zijn
Zit er in deze zin een wg of een ng? "Januari bracht dit jaar veel regen."
niet van toepassing
pv
ng
wg
Wat is het gezegde in: "We hebben voor het reisje een jaar gespaard."
hebben gespaard
hebben
gespaard
hebben voor het reisje gespaard
Wat is het gezegde in: "De koploper leed een grote nederlaag."
leed een grote nederlaag
leed
De koploper
een grote nederlaag
onderwerp
In een Thaise dieren tuin hebben ze de mannetjespanda op dieet gezet.
wg = hebben
wg = hebben op dieet gezet
wg = hebben gezet
De verzorgers willen hem laten afvallen.
wg = willen laten afvallen
wg = willen afvallen
wg = afvallen
wg = willen
De vraag die je stelt om het onderwerp van een zin te vinden is:
Wie of wat + lijdend voorwerp?
Wie of wat + meewerkend voorwerp?
Wie of wat + pv?
Wie of wat + gezegde?
De vraag die je stelt om het lijdend voorwerp te vinden:
Wie of wat + gezegde + onderwerp?
Wat?
Waarom?
Wie of wat + gezegde + meewerkend voorwerp?
De vraag die je stelt om het meewerkend voorwerp te vinden:
Wie of wat + onderwerp + gezegde?
Wie of wat + alle andere zinsdelen?
Aan/ voor + wie/ wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?
Waarom + werkwoord + onderwerp + dit?
Hoe vind je de bijwoordelijke bepaling?
Een bijwoordelijke bepaling is het antwoord op de vraag: wanneer?
Een bijwoordelijke bepaling staat achteraan in de zin.
Een bijwoordelijke bepaling is het antwoord op de vraag: wie of wat + gezegde?
Een bijwoordelijke bepaling is het antwoord vraagwoorden als: wanneer, waarnaartoe, hoe, waar?
Benoem het onderstreepte rode zinsdeel.
De bange jongen hoorde een vreemd geluid op de zolder van het huis.
Werkwoordelijk Gezegde (WG)
Onderwerp (Ow)
Lijdend Voorwerp (LV)
Benoem het onderstreepte rode zinsdeel.
De bange jongen hoorde een vreemd geluid op de zolder van het huis.
Werkwoordelijk Gezegde (WG)
Onderwerp (Ow)
Lijdend Voorwerp (LV)
Benoem het onderstreepte rode zinsdeel.
De bange jongen hoorde een vreemd geluid op de zolder van het huis.
Werkwoordelijk Gezegde (WG)
Onderwerp (Ow)
Lijdend Voorwerp (LV)
Benoem het onderstreepte rode zinsdeel.
Met veel inspanning kon de keeper van het voetbalelftal het doelpunt voorkomen.
Werkwoordelijk Gezegde (WG)
Onderwerp (Ow)
Lijdend Voorwerp (LV)
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.
Je broer (vermijden) ........... eten.
vermijd
vermeed
vermijt
vermijdt
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.
(braden) .............. jij alvast de hamburgers?
braai
braadt
braad
berad
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.
Het (gebeuren) .......... zelden dat jij je mond houdt.
gebeurd
gebeurt
gebeurdt
gebeurde
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.
Het (gebeuren) .......... zelden dat jij je mond houdt.
gebeurd
gebeurt
gebeurdt
gebeurde
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.
Zijn baas (communiceren) ......... niet erg duidelijk.
communiceerd
communiceerdt
communiceert
communiceertt
Vul de persoonsvorm verleden tijd in.
De smaak (verrassen) ..... me heel erg.
verraste
verraste
verrastte
verrasste
Vul het juiste voltooid deelwoord.
Het grootste deel van de rivier is (dichtslibben) ..........
dichtgeslipt
gedichtslibt
dichtgeslibd
dichtgeslibt
Vul het juiste bijvoeglijke naamwoord (BN) in.
Er hingen ook (uitvergroten) .......... foto's.
uitvergrote
uitvergrootte
uitvergrotte
uitvergroote
Wat is correct?
Hij houdt niet van spruitjes
Hij houd niet van spruitjes
Wat is correct?
Hij houdt niet van spruitjes
Hij houd niet van spruitjes
Wat is correct?
Word jij voor die rol gevraagd?
Wordt jij voor die rol gevraagd?
Wat is correct?
Word je zus later stewardess?
Wordt je zus later stewardess?
Wat is correct?
Word jij voor die rol gevraagd?
Wordt jij voor die rol gevraagd?
Vul de juiste vorm in:
Wij ..... (wachten) gisteren de hele middag op een reactie.
wachte
wachten
wachtte
wachtten
Jelle heeft een spannend avontuur (beleven)
beleeft
beleefd
beleefdt
Silke .........gisteren 50 euro onder haar vrienden.
verlote
verloot
verlootte
Sven heeft zich op Valentijnsdag .....voor zijn vriendin.
uitgeslooft
uitgesloofd
slooft zich uit
Is het rode woord een persoonsvorm?
Als jij mij verbetert, houd ik op.
ja
nee
Is het rode woord een persoonsvorm?
Voordat jij weggaat, moet je nog wel even trakteren.
ja
nee
De jongen (vergroten v.t.) zijn voorsprong.
vergroote
vergrote
vergrootte
vergrotte
Vul de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes in de tegenwoordige tijd in:
Als je op tijd (passen), scoort de spits veel vaker.
pass
passt
past
passet
Vul de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes in de verleden tijd in:
De minister (lunchen) met zijn secretaresse.
lunchte
lunchde
lunchten
lunchden
Vul de juiste vormen van het werkwoord tussen haakjes in:
(Worden) je tweelingbroer straks aanvoerder van ons team of (worden) je dat liever zelf?
Word / word
Word / wordt
Wordt / word
Wordt / wordt
Vul de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes in de verleden tijd in:
's Zomers (barbecueën) we vaak in onze achtertuin.
barbecuete
barbecuede
barbecueten
barbecueden
Vul de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes in:
Drie wagons van de trein zijn (ontsporen), maar niemand raakte gewond.
ontspoort
ontspoord
ontspoordt
ontsporen
Groente + soep
Groentensoep
Groentesoep
Groentessoep
Groente-soep
Kat + bak
Kattenbak
Kattebak
Kattesbak
Katten-bak
Ster + hemel
sterrenhemel
sterrehemel
Sterreshemel
Ster-hemel
Zwart + wit + foto
zwart-witfoto
zwart-wit-foto
zwartwitfoto
zwartwit- foto
Twee + onder + een + kap + woning
Twee-onder-een-kapwoning
Tweeondereenkapwoning
Twee onder-een-kapwoning
Twee onder een kapwoning
Station + plein
Stationplein
Stationsplein
Station-plein
Station plein
Schrijf korter op:
Zomer tijd en winter tijd
Zomertijd en wintertijd
Zomertijd en winter-
Zomer- en wintertijd
Zomer en winter tijd
