wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 2 eindtoets spelling en grammatica zinsdelen

Total questions: 105

Worksheet time: 1hrs 1mins

Name
Class
Date
1.
Als het werkwoordelijk gezegde uit een woord bestaat, welk zinsdeel is dat dan?
a)

onderwerp

b)
voltooid deelwoord
c)
werkwoord
d)
persoonsvorm
2.
Wat is het wg? Julia probeert niet zo hard te praten.
a)
probeert
b)
probeert te praten
c)
Julia
d)
zo hard
3.
Wat is het wg? Zij belde haar vriend op.
a)
belde op
b)
belde
c)
Zij
d)
haar vriend
4.
Wat is het wg? Gisteravond heb ik met de hond gewandeld. 
a)

ik

b)
heb
c)
gewandeld
d)
heb gewandeld
5.
Wat is het wg? Twee eenden vlogen rakelings langs haar kop.
a)
Twee vogels
b)
vlogen langs
c)
vlogen
d)
rakelings
6.
Wat is het wg? Bella zou vrolijk achter haar aan gesprongen zijn.
a)
zou gesprongen zijn
b)
zou gesprongen
c)
gesprongen zijn
d)
zou
7.
Wat is het wg? De hond wist pal voor de sloot af te remmen.
a)
De hond
b)
remmen
c)
wist af te remmen
d)
te remmen
8.
Wat is het wg? De eenden snaterden verontwaardigd.
a)
snaterden
b)
De eenden
c)
verontwaardigd
d)
snaterden verontwaardigd
9.
Wat is het wg? De jongens hebben zaterdag gevoetbald op het voetbalveld. 
a)
De jongens hebben
b)
hebben
c)
hebben gevoetbald
d)
hebben op het voetbalveld
10.
Wat is het wg?
Zij belde haar vriend op.
a)
op
b)
haar vriend
c)
belde op
d)
belde haar vriend op
11.

Maandag heeft Sonja een wedstrijd in de stad.


Wat is het onderwerp in de zin hierboven?

a)

Maandag

b)

een wedstrijd

c)

Sonja

d)

heeft

12.

Wat is het onderwerp?

Kleding / kopen / mijn vriendinnen / altijd / in de uitverkoop.

a)

kleding

b)

mijn vriendinnen

c)

in de uitverkoop

13.

Als ik thuis ben, ga ik een tosti maken. Wat is het lijdend voorwerp

a)

ik

b)

thuis

c)

een tosti

d)

maken

14.

Plotseling hoorden we een hoge pieptoon. Wat is het lijdend voorwerp ?

a)

plotseling

b)

hoorden

c)

pieptoon

d)

een hoge pieptoon

15.

De coach besprak de tactiek met de kinderen. Wat is het lijdend voorwerp?

a)

de coach

b)

de tactiek

c)

de kinderen

d)

besprak

16.

Hoeveel bwb'en staan er in de zin? Waarschijnlijk zal Japan in 2015 door een robot een vlag laten planten op de maan.

a)

2

b)

3

c)

4

17.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin? Met vliegenmaden werden in het verleden wonden gereinigd.

a)

Met vliegemaden

b)

wonden

c)

Er staat geen lijdend voorwerp in de zin.

18.

Wat is/zijn de bwb'en? De Eagle-capsule is in 1969 echt geland op de maan.

a)

in 1969, op de maan

b)

in 1969, echt, op de maan

c)

echt, op de maan

d)

op de maan

19.

Hoeveel bwb's staan er in de zin? Veel automobilisten blijken niet te stoppen voor een oranje licht.

a)

niet

b)

voor een oranje licht

c)

niet, voor een oranje licht

20.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel?

Bij Nederlands zaten Bram en Kelly tijdens de toets voor Nora en Hans.

a)

mv

b)

bwb

c)

lv

21.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel? Hebben jouw vader en moeder jouw kleedgeld al aan jou overgemaakt

a)

ow

b)

lv

c)

mv

22.

Wat is het onderwerp in de zin? In 1977 werd bij Velsen het skelet van een Romein gevonden in een waterput.

a)

Velsen

b)

het skelet

c)

Het skelet van een Romein

d)

Romein

23.

Is de zin juist of onjuist verdeeld in zinsdelen? In de aorta / stroomt / ons bloed/ vermoedelijk zo'n 5 kilometer per uur.

a)

Juist

b)

Onjuist

24.

Wat is het onderstreepte zinsdeel? Marieke heeft haar vriendin Julia uitgenodigd voor haar verjaard.

a)

Ow

b)

Lv

c)

Mv

25.

Uit hoeveel zinsdelen bestaat de zin? Waarvoor wordt het metaal indium eigenlijk gebruikt?

a)

4

b)

5

c)

6

26.

[De leraar] gaf mij lachend een onvoldoende.

a)

pv

b)

ow

c)

mv

d)

ng

27.

De leraar gaf [mij] lachend een onvoldoende.

a)

wg

b)

ow

c)

mv

d)

ng

28.

De leraar gaf mij [lachend] een onvoldoende.

a)

wg

b)

ow

c)

mv

d)

ng

29.

De leraar gaf mij lachend [een onvoldoende].

a)

wg

b)

ow

c)

lv

d)

ng

30.

De leraar [gaf] mij lachend een onvoldoende.

a)

wg

b)

ow

c)

lv

d)

pv

31.

[Gisteren] zag ik hem op de hoek van de Herengracht.

a)

wg

b)

ow

c)

lv

d)

bwb

32.

Gisteren zag [ik] hem op de hoek van de Herengracht.

a)

wg

b)

ow

c)

lv

d)

bwb

33.

Gisteren zag ik hem [op de hoek van de Herengracht].

a)

wg

b)

ow

c)

lv

d)

bwb

34.

Gisteren zag ik [hem] op de hoek van de Herengracht.

a)

wg

b)

ow

c)

lv

d)

bwb

35.

Wat is het ng in deze zin? "Het werd een groot succes".

a)

een groot succes

b)

werd

c)

werd een groot succes

d)

Het werd

36.

Wat is het ng in deze zin? "De juf schijnt leuk te zijn".

a)

leuk zijn

b)

schijnt

c)

schijnt te zijn

d)

schijnt leuk te zijn

37.

Zit er in deze zin een wg of een ng? "Januari bracht dit jaar veel regen."

a)

niet van toepassing

b)

pv

c)

ng

d)

wg

38.

Wat is het gezegde in: "We hebben voor het reisje een jaar gespaard."

a)

hebben gespaard

b)

hebben

c)

gespaard

d)

hebben voor het reisje gespaard

39.

Wat is het gezegde in: "De koploper leed een grote nederlaag."

a)

leed een grote nederlaag

b)

leed

c)

De koploper

d)

een grote nederlaag

40.
Als het werkwoordelijk gezegde uit een woord bestaat, welk zinsdeel is dat dan?
a)

onderwerp

b)
voltooid deelwoord
c)
werkwoord
d)
persoonsvorm
41.

In een Thaise dieren tuin hebben ze de mannetjespanda op dieet gezet.

a)

wg = hebben

b)

wg = hebben op dieet gezet

c)

wg = hebben gezet

42.

De verzorgers willen hem laten afvallen.

a)

wg = willen laten afvallen

b)

wg = willen afvallen

c)

wg = afvallen

d)

wg = willen

43.
Welke uitspraak is juist?
a)
Het naamwoordelijk gezegde bestaat altijd uit een koppelwerk en een naamwoord
b)
Het naamwoordelijk gezegde bestaat altijd uit een koppelwerkwoord en een naamwoord en soms ook uit een hulpwerkwoord.
c)
Het naamwoordelijk gezegde bestaat altijd uit een koppelwerkwoord, een hulpwerkwoord en een naamwoord.
44.
Heeft de volgende zin een naamwoordelijk gezegde?   - Ingrid is een pracht van een meid.
a)
Nee, WG
b)
Ja, 'is een meid' 
c)
Ja, 'is een pracht van een meid'
45.
In welke zin staat een meewerkend voorwerp?
a)
De zangeres werd eerste tijdens de show.
b)
Ze juichte en sprong een gat in de lucht.
c)
De jury gaf haar de meeste stemmen van allemaal.
d)
Ze ging een schitterende carrière tegemoet. 
46.
Wat is het MV in de volgende zin? Wij gaan onze mentor een cd aanbieden.
a)
Wij
b)
onze mentor
c)
een cd
d)
gaan aanbieden
47.
Wat is het MV in de volgende zin?  De nieuwe cd van Typhoon heb ik voor mijn moeder gekocht. 
a)
voor mijn moeder
b)
heb gekocht
c)
de nieuwe cd van Kenny B
d)
ik
48.

De vraag die je stelt om het onderwerp van een zin te vinden is:

a)

Wie of wat + lijdend voorwerp?

b)

Wie of wat + meewerkend voorwerp?

c)

Wie of wat + pv?

d)

Wie of wat + gezegde?

49.

De vraag die je stelt om het lijdend voorwerp te vinden:

a)

Wie of wat + gezegde + onderwerp?

b)

Wat?

c)

Waarom?

d)

Wie of wat + gezegde + meewerkend voorwerp?

50.

De vraag die je stelt om het meewerkend voorwerp te vinden:

a)

Wie of wat + onderwerp + gezegde?

b)

Wie of wat + alle andere zinsdelen?

c)

Aan/ voor + wie/ wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

d)

Waarom + werkwoord + onderwerp + dit?

51.

Hoe vind je de bijwoordelijke bepaling?

a)

Een bijwoordelijke bepaling is het antwoord op de vraag: wanneer?

b)

Een bijwoordelijke bepaling staat achteraan in de zin.

c)

Een bijwoordelijke bepaling is het antwoord op de vraag: wie of wat + gezegde?

d)

Een bijwoordelijke bepaling is het antwoord vraagwoorden als: wanneer, waarnaartoe, hoe, waar?

52.

Benoem het onderstreepte rode zinsdeel.


De bange jongen hoorde een vreemd geluid op de zolder van het huis.

a)

Werkwoordelijk Gezegde (WG)

b)

Onderwerp (Ow)

c)

Lijdend Voorwerp (LV)

53.

Benoem het onderstreepte rode zinsdeel.


De bange jongen hoorde een vreemd geluid op de zolder van het huis.

a)

Werkwoordelijk Gezegde (WG)

b)

Onderwerp (Ow)

c)

Lijdend Voorwerp (LV)

54.

Benoem het onderstreepte rode zinsdeel.


De bange jongen hoorde een vreemd geluid op de zolder van het huis.

a)

Werkwoordelijk Gezegde (WG)

b)

Onderwerp (Ow)

c)

Lijdend Voorwerp (LV)

55.

Benoem het onderstreepte rode zinsdeel.


Met veel inspanning kon de keeper van het voetbalelftal het doelpunt voorkomen.

a)

Werkwoordelijk Gezegde (WG)

b)

Onderwerp (Ow)

c)

Lijdend Voorwerp (LV)

56.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

Je broer (vermijden) ........... eten.

a)

vermijd

b)

vermeed

c)

vermijt

d)

vermijdt

57.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

(braden) .............. jij alvast de hamburgers?

a)

braai

b)

braadt

c)

braad

d)

berad

58.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

Het (gebeuren) .......... zelden dat jij je mond houdt.

a)

gebeurd

b)

gebeurt

c)

gebeurdt

d)

gebeurde

59.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

Het (gebeuren) .......... zelden dat jij je mond houdt.

a)

gebeurd

b)

gebeurt

c)

gebeurdt

d)

gebeurde

60.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

Zijn baas (communiceren) ......... niet erg duidelijk.

a)

communiceerd

b)

communiceerdt

c)

communiceert

d)

communiceertt

61.

Vul de persoonsvorm verleden tijd in.

De smaak (verrassen) ..... me heel erg.

a)

verraste

b)

verraste

c)

verrastte

d)

verrasste

62.

Vul het juiste voltooid deelwoord.

Het grootste deel van de rivier is (dichtslibben) ..........

a)

dichtgeslipt

b)

gedichtslibt

c)

dichtgeslibd

d)

dichtgeslibt

63.

Vul het juiste bijvoeglijke naamwoord (BN) in.

Er hingen ook (uitvergroten) .......... foto's.

a)

uitvergrote

b)

uitvergrootte

c)

uitvergrotte

d)

uitvergroote

64.
Vul de juiste vorm in. Hij (gamen) ..... de hele dag door.
a)
gamt
b)
gamet
c)
gamed
d)
gammet
65.
De ... (begroten) kosten klopten niet.
a)
begrootte
b)
begroten
c)
begrote
d)
begroote
66.
... (vermoeden) je zus dat er iets aan de hand is?
a)
vermoed
b)
vermoedt
67.

Wat is correct?

a)

Hij houdt niet van spruitjes

b)

Hij houd niet van spruitjes

68.
Het ... (verbranden) huis was helemaal vernietigd.
a)
verbrande
b)
verbrandde
c)
verbranden
d)
verbrandte
69.

Wat is correct?

a)

Hij houdt niet van spruitjes

b)

Hij houd niet van spruitjes

70.

Wat is correct?

a)

Word jij voor die rol gevraagd?

b)

Wordt jij voor die rol gevraagd?

71.

Wat is correct?

a)

Word je zus later stewardess?

b)

Wordt je zus later stewardess?

72.

Wat is correct?

a)

Word jij voor die rol gevraagd?

b)

Wordt jij voor die rol gevraagd?

73.

Vul de juiste vorm in:

Wij ..... (wachten) gisteren de hele middag op een reactie.

a)

wachte

b)

wachten

c)

wachtte

d)

wachtten

74.

Jelle heeft een spannend avontuur (beleven)

a)

beleeft

b)

beleefd

c)

beleefdt

75.

Silke .........gisteren 50 euro onder haar vrienden.

a)

verlote

b)

verloot

c)

verlootte

76.

Sven heeft zich op Valentijnsdag .....voor zijn vriendin.

a)

uitgeslooft

b)

uitgesloofd

c)

slooft zich uit

77.

Is het rode woord een persoonsvorm?


Als jij mij verbetert, houd ik op.

a)

ja

b)

nee

78.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord:Die spareribs zijn heerlijk (grillen).
a)
gegrilld
b)
gegrillt
c)
gegrilt
d)
gegrild
79.

Is het rode woord een persoonsvorm?

Voordat jij weggaat, moet je nog wel even trakteren.

a)

ja

b)

nee

80.
Zij brach...en de meeste tijd op het strand door.
a)
t
b)
tt
81.
Wor... je weleens gevraagd waarom je al zo lang bij hetzelfde bedrijf werkt?
a)
d
b)
dt
c)
t
82.
Omdat hij alles verander... heeft, begrijp ik er niets meer van.
a)
d
b)
t
c)
dt
83.
Als u verstandig bent, aanvaar... u het risico.  
a)
d
b)
dt
c)
t
84.
Het neergestor..e vliegtuig was net voor vertrek nog gecontroleer..
a)
t-d
b)
tt-d
c)
t-t
d)
tt-t
85.
Nu ben ik het eens die lekker verwend wor..
a)
d
b)
dt
c)
t
86.

De jongen (vergroten v.t.) zijn voorsprong.

a)

vergroote

b)

vergrote

c)

vergrootte

d)

vergrotte

87.
Hij ... (upgraden) gisteren het programma op zijn laptop.
a)
upgraded
b)
upgrade
c)
upgradde
d)
upgradede
88.
Engelse werkwoorden, s-klank, het doet er eigenlijk niet toe; wij hebben gewoon lekker ... (kanoën)
a)
gekanod
b)
gekanoot
c)
gekanood
d)
gekanoëd
89.

Vul de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes in de tegenwoordige tijd in:

Als je op tijd (passen), scoort de spits veel vaker.

a)

pass

b)

passt

c)

past

d)

passet

90.

Vul de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes in de verleden tijd in:

De minister (lunchen) met zijn secretaresse.

a)

lunchte

b)

lunchde

c)

lunchten

d)

lunchden

91.

Vul de juiste vormen van het werkwoord tussen haakjes in:

(Worden) je tweelingbroer straks aanvoerder van ons team of (worden) je dat liever zelf?

a)

Word / word

b)

Word / wordt

c)

Wordt / word

d)

Wordt / wordt

92.

Vul de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes in de verleden tijd in:

's Zomers (barbecueën) we vaak in onze achtertuin.

a)

barbecuete

b)

barbecuede

c)

barbecueten

d)

barbecueden

93.

Vul de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes in:

Drie wagons van de trein zijn (ontsporen), maar niemand raakte gewond.

a)

ontspoort

b)

ontspoord

c)

ontspoordt

d)

ontsporen

94.
Wat is de juiste spelling?
a)
lichtgewichtrugzak
b)
licht gewichtrugzak
c)
lichtgewicht rugzak
d)
licht gewicht rugzak
95.
Hoe schrijf je
a)
langeafstands loper
b)
lange afstandsloper
c)
langeafstandsloper
d)
langeafstandloper
96.
De juiste spelling is
a)
tvprogramma
b)
tv-programma
c)
tv programma
97.
Welk woord is correct geschreven?
a)
Tweede-Kamerlid
b)
Tweedekamerlid
c)
Tweede Kamerlid
d)
TweedeKamer-lid
98.
Juist is
a)
ervan uitgaan
b)
ervanuitgaan
c)
er vanuit gaan
d)
ervanuit gaan
99.

Groente + soep

a)

Groentensoep

b)

Groentesoep

c)

Groentessoep

d)

Groente-soep

100.

Kat + bak

a)

Kattenbak

b)

Kattebak

c)

Kattesbak

d)

Katten-bak

101.

Ster + hemel

a)

sterrenhemel

b)

sterrehemel

c)

Sterreshemel

d)

Ster-hemel

102.

Zwart + wit + foto

a)

zwart-witfoto

b)

zwart-wit-foto

c)

zwartwitfoto

d)

zwartwit- foto

103.

Twee + onder + een + kap + woning

a)

Twee-onder-een-kapwoning

b)

Tweeondereenkapwoning

c)

Twee onder-een-kapwoning

d)

Twee onder een kapwoning

104.

Station + plein

a)

Stationplein

b)

Stationsplein

c)

Station-plein

d)

Station plein

105.

Schrijf korter op:

Zomer tijd en winter tijd

a)

Zomertijd en wintertijd

b)

Zomertijd en winter-

c)

Zomer- en wintertijd

d)

Zomer en winter tijd