wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo4 - oefenen SE

Total questions: 22

Worksheet time: 44mins

Name
Class
Date
1.

13 leerlingen gaan één voor één op de foto. Hoeveel volgordes zijn er mogelijk?

a)

13 x 13

b)

13 x 12 x 11 x 10 x 9 x 8 x 7 x 6 x 5 x 4 x 3 x 2 x 1

c)

13^13

d)

13 C 13

2.

Van 20 leerlingen moet één groepje van 2 lln een spreekbeurt houden. Hoeveel groepjes zijn er mogelijk?

a)

20 x 19

b)

20²

c)

20 C 2

d)

10 + 19

3.

Op hoeveel manieren kun je tien 4keuzevragen beantwoorden?

a)

10 ^4

b)

10 x 4

c)

10

d)

4 ^10

4.

Hoeveel patronen van 3 witte en 2 zwarte hokjes kun je maken?

a)

a)5 x 3

b)

a)5 C 3 + 5 C 2

c)

5 C 3

d)

5 P 3

5.

Hoeveel getallen van 5 cijfers kun je maken met de cijfers 1, 3, 4, 8, 9? Geen herhaling.

a)

9 P 5

b)

5 x 4 x 3 x 2 x1

c)

9 x 8 x 4 x 3 x 1

d)

9 C 5

6.

Hoeveel postcodes kun je maken met alleen de cijfers 1 en 2 en de letters a en B? met herhaling

a)

4 x 6

b)

2 x 4 + 2 x 2

c)

2 x 6

d)

2 x 2 x 2 x 2 x 2 x 2

7.

9 lege fietsenrekken. Op hoeveel manieren kun je 6 fietsen er inzetten?

a)

6 x 5 x 4 x 3 x 2 x 1

b)

9 x 8 x 7 x 6 x 5 x 4

c)

9 C 6

d)

9 x 8 x 7 x 6 x 5 x 4 x 3 x 2 x 1

8.

Je hebt 6 NL, 3 DU en 8 ENG boeken. Je kiest er van elke taal 1 om een boekenlijst te maken. Hoeveel mogelijkheden zijn er?

a)

6 x 3 x 8

b)

17 C 3

c)

6 + 3 + 8

d)

17 x 16 x 15

9.

8 jongens en 4 meiden gaan naar de film. Daar wordt 1 jongen en 2 meiden uitgekozen voor een figurantenrol. Hoeveel mogelijkheden zijn er?

a)

12 C 3

b)

8 x 4 x 3

c)

8 C 1 x 4 C 2

d)

8 C 1 + 4 C 2

10.

Op welke intervallen is de grafiek afnemend stijgend?

a)

[-1;0.5] en [7.5;10.5]

b)

<-1;0.5> en <7.5;10.5>

c)

[-1;0.5] en [4.75;10.5]

d)

<-1;0.5> en <4.75;10.5>

11.

Hoeveel keer zo groot is het absolute maximum als het absolute minimum?

a)

2x

b)

2,25x

c)

6x

d)

3x

12.

Wat is de gemiddelde verandering op het interval [-1,12]?

a)

0,15

b)

6,5

c)

0,18

d)

0,17

13.

Op het interval [0,3] is de grafiek van N

a)

afnemend stijgend

b)

toenemend dalend

c)

afnemend stijgend

d)

toenemend stijgend

14.

N = het aantal konijnen en t = tijd in maanden. Op t = 0 zijn er 200 konijnen. Na 3 maanden zijn er hoeveel konijnen?

a)

215

b)

195

c)

165

d)

180

15.

N = het aantal konijnen en t = tijd in maanden. Op t = 0 (januari) zijn er 200 konijnen. In welke maand zijn er het minste aantal konijnen?

a)

maart

b)

oktober

c)

september

d)

november

16.

Voor welk interval is de gemiddelde toename hetzelfde als op [-1,1]?

a)

[0,4]

b)

[0,1]

c)

<-4,4>

d)

<0,4>

17.

Waar kan er bij een grafiek een maxima of minima bestaan?

a)

bij de toppen

b)

bij de randpunten

c)

bij de toppen en randpunten

18.

De grafiek is afnemend dalend op het interval

a)

<16,18>

b)

<0,4>

c)

<4,8>

d)

<18,22>

19.

Het toenamediagram hoort bij

a)

bergparabool

b)

rechte horizontale lijn

c)

dalparabool

d)

rechte dalende lijn

20.

Zie het toenamediagram

a)

op [1,2] is er een toename van 2

b)

op [1,2] is er een toename van 3

c)

op [8,9] is er een toename van 1

d)

op [11,12] is er een toename van 6

21.

Acht vrienden gaan een weekend kamperen. Eén van hen reserveert de camping, één regelt het vervoer en een derde doet de inkopen.

Op hoeveel manieren kunnen ze deze drie taken verdelen?

a)

56

b)

40320

c)

336

d)

100

22.

Simone heeft twaalf games. Ze stelt een top-5 samen. Op hoeveel manieren kan dat?

a)

479001600

b)

120

c)

792

d)

95040