wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Procenten

Total questions: 55

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent " procent" letterlijk?

a)

" van de honderd "

b)

" van de tien "

c)

" van de duizend "

2.

Hoeveel procent is in deze figuur blauw gekleurd?

a)

6%

b)

12%

c)

35%

d)

47%

3.

Hoeveel procent van deze 100 hokjes zijn hier geel gekleurd?

a)

1/4 deel

b)

25%

c)

3/4 deel

d)

75%

4.
Welk decimaal getal hoort bij 74 procent?
a)
0,26
b)
1,74
c)
0,33
d)
0,74
5.
Van de 10 jongens, dragen 4 jongens 'Nike' schoenen. Hoeveel procent is dit?
a)
25%
b)
30%
c)
35%
d)
40%
6.
20 % van 500 =
a)
100
b)
10
c)
20
d)
200
7.

Er is 10% korting, hoeveel kost het rokje nu?

a)

Dit rokje kost nu € 50, --

b)

Dit rokje kost nu € 6, --

c)

Dit rokje kost nu € 54, --

d)

Dit rokje kost nu € 66, --

8.
a)
b)
c)
d)
9.

hoeveel % is 1/20

a)

20%

b)

3%

c)

5%

d)

7.5%

10.

Hoeveel is 6% van 400 passagiers?

a)

24

b)

4

c)

2,4

d)

30

11.

Welk bedrag is 9% van 200 euro?

a)

€ 2

b)

€ 18

c)

€ 20

d)

€ 190

12.

In een groep van 50 mensen zijn er 40 mensen die niet voetballen. De rest voetbalt wel. Hoeveel procent voetballen er wel ?

a)

40 %

b)

50 %

c)

80 %

d)

20 %

13.

Welk percentage hoort bij 1/10 deel?

a)

25%

b)

10%

c)

50%

d)

33,33..%

14.

Welk percentage hoort bij 4/5 deel?

a)

20%

b)

40%

c)

60%

d)

80%

15.

Hoeveel procent van de oude prijs betaal je nu nog?

a)

40%

b)

60%

16.

Hoeveel procent van de oude prijs betaal je nu nog?

a)

45%

b)

55%

17.

Hoeveel procent van de oude prijs betaal je nu nog?

a)

35%

b)

65%

18.

Hoeveel procent van de oude prijs betaal je nu nog steeds?

a)

15%

b)

85%

19.
Van een groep van 24 leerlingen hebben 13 leerlingen blauwe ogen. Hoeveel procent is dat?
a)
54,2%
b)
55%
c)
184,6%
d)
50%
20.
Een fiets kost 499 euro. Je krijgt 30% korting. Wat moet je betalen?
a)
349,50
b)
349,20
c)
350,15
d)
349,30
21.
Een winkelier verhoogt de prijs van een USB stick van € 12,50 naar € 13,-
Hoeveel procent is de prijsverhoging?
a)
3,8%
b)
4%
c)
96,2%
d)
1,6%
22.
Jan heeft een boek met 15% korting gekocht. Het boek kostte nu nog 10,20 euro. Hoeveel kostte het boek zonder de korting?
a)
12,00 euro
b)
8,67 euro
c)
3,00 euro
d)
13,00 euro
23.

De Regiobank geeft Piet elk jaar 2% rente op zijn spaarrekening.

Eind 2017 had Piet 340 euro op zijn rekenen. Hoeveel geld stond er dan begin 2018 op zijn rekening?

a)
333,00 euro
b)
346,80 euro
c)
333,20 euro
d)
350,00 euro
24.
Anne wil berekenen hoeveel een tv van € 789,- kost als ze 15% korting krijgt. Met welke som kan ze dat berekenen?
a)
789 x 0,15 + 100
b)
789: 100 x 15
c)
789 x 1,15
d)
789 x 0.85
25.
Met welk getal (factor) kun je vermenigvuldigen om een toename van 21% te berekenen?
a)
0,21
b)
2,10
c)
1,21
d)
21
26.
Van een groep van 24 leerlingen hebben 13 leerlingen blauwe ogen. Hoeveel procent is dat?
a)
54,2 %
b)
54%
c)
184,6 %
d)
50%
27.
Een winkelier verhoogt de prijs van een USB stick van € 12,50 naar € 13,-
Hoeveel procent is de prijsverhoging?
a)
3,8%
b)
4%
c)
96,2%
d)
1,6%
28.
Wat is de vermenigvuldigingsfactor bij een toename van 1,5 %?
a)
1,15
b)
1,015
c)
0,15
d)
0,015
29.
In een klas zitten 25 kinderen. 15 jongens en 10 meisjes. Hoeveel procent is meisje in de klas?
a)
35%
b)
40%
c)
50%
d)
75%
30.
In een wei lopen 20 koeien. Van de 20 koeien hebben 3 koeien de naam 'Bertha'. Hoeveel procent van de koeien heeft de naam Bertha?
a)
10%
b)
15%
c)
20%
d)
25%
31.
Bereken 9% van 800
a)
70
b)
72
c)
76
d)
80
32.
De reis naar Barcelona van €299 wordt 21% goedkoper, bereken de nieuwe prijs.
a)
215,78
b)
226,91
c)
236,21
d)
244,76
33.
2/5 deel van 25
a)
2
b)
5
c)
10
d)
15
34.
1 / 50 deel van 100
a)
2
b)
5
c)
10
d)
50
35.
a)
b)
c)
d)
36.
a)
b)
c)
d)
37.
a)
b)
c)
d)
38.
a)
b)
c)
d)
39.
a)

€ 870, --

b)

€ 27%

c)

€ 270%

d)

€ 630, --

40.
a)

€ 2,50

b)

€ 7,50

c)

€ 20, --

d)

€ 17,50

41.
a)

€ 2,90

b)

€ 27,50

c)

€ 27. 10

d)

€ 26,10

42.
a)

€ 3,60

b)

€ 36, --

c)

€ 0,40

d)

€ 4,90

43.
a)

€ 3,60

b)

€ 36, --

c)

€ 0,40

d)

€ 4,90

44.
a)

€ 1,98

b)

€ 1,10

c)

€ 1,32

d)

€ 1,54

45.
a)

de oude prijs was € 0,33

b)

de oude prijs was € 0,50

c)

de oude prijs was € 1,30

d)

de oude prijs was € 50,65

46.
a)

De oude prijs was € 0,40

b)

De oude prijs was € 3,60

c)

De oude prijs was € 2,40

d)

De oude prijs was € 4,00

47.

Een setje voetbalplaatjes kost € 1,50, maar met korting

€ 1,20. Hoeveel procent korting krijg je?

a)
b)
c)
d)
48.
a)

De oude prijs was € 0,40

b)

De oude prijs was € 3,60

c)

De oude prijs was € 2,40

d)

De oude prijs was € 4,00

49.

Een plant van € 3,20 wordt vandaag met korting verkocht. Nu kost de plant nog maar € 1,60. Hoeveel procent korting krijg je?

a)
b)
c)
d)
50.

Een boek kost nu € 15,--. De oude prijs was € 20,--. Hoeveel korting krijg je nu?

a)
b)
c)
d)
51.
a)
b)
c)
d)
52.
a)

De oude prijs is € 250, --

b)

De oude prijs is € 300, --

c)

De oude prijs is € 120, --

d)

De oude prijs is € 425, --

53.
a)

€ 1,75

b)

€1,80

c)

€1,05

d)

€0,35

54.
a)
b)
c)
d)
55.

Een kaartje voor de Efteling kost normaal € 38,00. Deze maandag wordt er 15% korting gegeven. Hoeveel korting krijg je dan?

a)

€ 32,30

b)

€ 15,00

c)

€ 6,30

d)

€ 5,70