wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

argumentatie

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Je kunt een standpunt onderscheiden van de argumenten.

a)

Na 'want' volgt het standpunt. Na 'dus' volgen de argumenten.

b)

Na 'want' volgt het argument. Na 'dus' volgt het standpunt.

c)

Een standpunt is hetzelfde als een argument.

d)

Een argument kun je niet onderscheiden van het standpunt.

2.

Enkelvoudige argumentatiestructuur

a)

heeft één standpunt en één argument

b)

heeft alleen een standpunt

c)

heeft alleen een argument

d)

heeft twee argumenten

3.

Onderschikkende argumentatie

a)

het standpunt is minder in het oog springend, minder belangrijk dan de argumenten

b)

het betreft een minder belangrijke discussie

c)

een hoofdargument wordt ondersteund door één of meer subargumenten

4.

Nevenschikkende argumentatie

a)

twee of meer argumenten ondersteunen samen het standpunt/ de stelling

b)

een argument is opgesplitst in twee delen en daarmee wordt het standpunt bewezen

5.

Nevenschikkende argumentatie

a)

is het meest sterke type argumentatie

b)

is het meest zwakke type argumentatie

c)

de argumenten kunnen afhankelijk van elkaar zijn (ze zijn samen nodig om het standpunt te ondersteunen) of ze zijn onafhankelijk van elkaar

6.

Wat is het standpunt in deze zin: 'De film is blijkbaar afgelopen, de bioscoop is al leeggestroomd.'

a)

de film is blijkbaar afgelopen

b)

de bioscoop is al leeggestroomd

7.

Wat is het argument:

'Er ligt een dun laagje ijs op de gracht. Het vriest kennelijk.'

a)

Er ligt een dun laagje ijs.

b)

Het vriest kennelijk.

c)

Er ligt een dun laagje ijs op de gracht. Het vriest kennelijk.

8.

Wat is het argument?

'Je mag doorrijden, het licht staat op groen.'

a)

Je mag doorrijden

b)

het licht staat op groen

c)

Je mag doorrijden, het licht staat op groen.

9.

Bij feitelijke argumentatie...

a)

moeten de genoemde feiten controleerbaar zijn en waar

b)

moeten de genoemde feiten controleerbaar zijn, maar deze hoeven niet per se waar te zijn

c)

het is niet nodig de genoemde feiten om waarheid te onderzoeken, want deze zijn per definitie correct

10.

Waarderende argumentatie...

a)

is gebaseerd op normen en waarden, geloof en principes

b)

hoeft niet serieus genomen te worden en is dan ook vaak onsuccesvol

c)

is gebaseerd op verifieerbare (controleerbare) feiten

11.

Wat wordt verondersteld bij deze uitspraak? 'Waarom ben je gestopt met roken?'

a)

Je hebt nooit gerookt.

b)

Je hebt gerookt en je bent gestopt.

c)

Het is niet gelukt om te stoppen.

d)

Pas na een paar pogingen is het gelukt om te stoppen.

12.

Wat is de vooronderstelling? 'Vrouwen kunnen niet schaken, want tijdens het edele schaakspel moet je je mond houden.'

a)

Vrouwen hebben geen talent voor schaken.

b)

Vrouwen ontberen de tactische kennis die nodig is voor het edelen schaakspel.

c)

Vrouwen kunnen hun mond niet houden.

d)

Mannen kunnen hun mond niet houden.

13.

Wat wordt verondersteld in de volgende uitspraak? 'Sinds wanneer mishandel jij je vriendin niet meer?'

a)

Je hebt je vriendin mishandeld en dat doe je nu niet meer.

b)

Je hebt je vriendin mishandeld en daar ga je nog af en toe mee door.

c)

Je hebt je vriendin nooit mishandeld, maar daar wordt je wel van verdacht.

d)

Je hebt je vriendin nooit mishandeld, maar gaat dat wel doen op korte termijn.

14.

Wat is de vooronderstelling? 'Why waste time. Koop kant-en-klare maaltijden.'

a)

Je moeder kookt voor je.

b)

Je moet je eigen maaltijd klaarmaken.

c)

Je eet niet gezond.

d)

Je moet zelf je eigen maaltijd klaarmaken en jouw tijd in de keuken besteden aan het klaarmaken van je eigen maaltijd is verspilde tijd.

15.

Welke drogreden herken je in deze zin? 'Vrouwen kunnen niet schaken, want tijdens het edele schaakspel moet men zijn mond houden.'

a)

overhaaste generalisatie

b)

bespelen van het publiek

c)

overdrijven van de nadelen