wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Immunologie campbell

Total questions: 35

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Welke cellen doen niet aan fagocytose?

a)

Neutrofielen

b)

Macrofagen

c)

Natural killer cells

d)

Dendritische cellen

2.

Welke cellen beschermen het lichaam tegen meercellige indringers?

a)

neutrofielen

b)

Natural killer cells

c)

Eosinofielen

d)

Macrofagen (grote eters)

3.

Welke cellen zorgen voor de specifieke humorale afweer van het lichaam?

a)

Cytotoxische t-cellen

b)

B-lymfocyten

c)

T-helpercellen

d)

Dendritische cellen

4.

Welk antwoord is geen onderdeel van de aspecifiek immuniteit?

a)

De huid

b)

Lysozym

c)

Koorts

d)

Antilichamen

5.

Hoe heten de belangrijkste immuun cellen van insecten?

a)

Lymfocyten

b)

Antimicrobiële eiwitten

c)

Granulocyten

d)

Hemocyten

6.

Wat zijn een interferonen?

a)

Eiwitten die werken als aspecifieke antilichamen

b)

Een eiwit dat nabijgelegen cellen aanstuurt om stoffen aan te maken die de replicatie van virussen tegengaan.

c)

Eiwitten die door witte bloedcellen worden afgegeven. Deze eiwitten zorgen voor koorts.

d)

Eiwitten die er voor zorgen dat de bloedvaten verder open gaan staan. Dit resulteert in de zwelling van een wond.

7.

Het compliment-systeem bestaat uit ongeveer 30 eiwitten. Deze eiwitten zweven in een inactieve staat door het lichaam

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

Wat is de functie van natural killer cells?

a)

Het herkennen van pathogenen in lichaamsvloeistof

b)

Pathogenen opnemen doormiddel van fagocytose en deze pathogenen presenteren.

c)

Het herkennen van door een virus geïnfecteerde cellen, kankercellen en geprogrammeerde celdood in gang zetten.

d)

Pathogenen onschadelijk maken en histamine produceren.

9.

Welke cellen zijn lymfocyten?

a)

B-cellen en T-cellen

b)

B-cellen, T-cellen en dendritische cellen

c)

B-cellen, T-cellen en macrofagen

d)

Alleen B-cellen

10.

Waar vind de deling van de cellen plaats die uiteindelijk T-cellen worden

a)

In de thalamus

b)

In het beenmerg

c)

De schildklier

d)

Het beenmerg en de schildklier

11.

Aan welk gedeelte van een pathogeen bind een antigen receptor?

a)

Het antigen

b)

De epitoop

c)

membraan eiwitten

d)

De celwand

12.

Welke immuun-cellen worden naast B- en T-cellen nog meer lymfocyten?

a)

Dendritische cellen

b)

Natural killer cells

c)

Macrofagen

d)

Mest cellen

13.

Wat is een antigen?

a)

Bacteriën, virussen en schimmels die ziekteverwekkend zijn

b)

Bacteriën, virussen, schimmels en prionen

c)

Alle stoffen die een B- of T-cel reactie ontlokken

d)

Alle lichaamsvreemde stoffen

14.

Hoe wordt immunoglobuline (Ig) ook wel genoemd?

a)

Antimicrobiële eiwitten

b)

Antilichamen

c)

Histamine

d)

Interferonen

15.

Waarvoor zijn antigen receptoren specifiek?

a)

Antigenen

b)

Epitopen

c)

Pathogenen

d)

Lichaamsvreemde stoffen

16.

Alle antilichamen die door één B-cel worden geproduceerd zijn identiek

a)

Juist

b)

Onjuist

17.

Welke cellen bevinden zich meestal niet in het bloed? (2 antwoorden)

a)

Neutrofielen

b)

Natural killer cells

c)

Dendritische cellen

d)

Eosinofielen

18.

Welke cellen bevinden zich net onder de huid? (2 antwoorden)

a)

B-cellen

b)

Eosinofielen

c)

Macrofagen

d)

Dendritische cellen

19.

Wat gebruiken aspecifieke immuun cellen om pathogenen te herkennen?

a)

Antigen receptoren

b)

Toll-like receptor (TLR)

c)

Membraaneiwitten

d)

major histocompatibility complex (MHC) molecuul

20.

Welke vorm heeft de antigenreceptor van een T-cel?

a)

Y - Vorm

b)

I I -- vorm

21.

Met welk molecuul presenteert een cel die niet bij het immuunsysteem hoort een antigenfragment aan een cytotoxische T-cel?

a)

Klasse 1 MHC molecuul

b)

Klasse 2 MHC molecuul

c)

CD8 eiwit

d)

CD4 eiwit

22.

Een pathogeen bevind zich in het lichaamsvocht. Welke cellen zijn de effectorcellen die deze pathogenen tegen gaan?

a)

B-cellen

b)

Cytotoxische T-cellen

c)

Plasma cellen

d)

Helper T-cellen

23.

Welke cellen zorgen er een snellere secundaire immuunreactie kan ontstaan?

a)

Geheugencellen

b)

Effectorcellen

c)

T-helpercellen

d)

Antigen presenterende cel

24.

Welk proces wordt in het plaatje afgebeeld?

a)

Antigen presentatie

b)

Clonale selectie

c)

Secundaire immuunreactie

25.

Hoeveel verschillende T-cel antigen receptoren heeft een mens?

a)

100 duizend

b)

1 miljoen

c)

10 miljoen

d)

100 miljoen

26.

Welke belangrijke functies hebben antilichamen? (meerdere antwoorden)

a)

Zorgen samen met het complementsysteem voor de lysis van pathogene cellen

b)

Het onschadelijk maken van pathogenen door te binden.

c)

Pathogenen markeren zodat macrofagen deze herkennen.

d)

Aan een geïnfecteerde cel binden zodat deze wordt herkend door natural killer cells

27.

Het aanmaken van geheugencellen is passieve immuniteit

a)

juist

b)

onjuist

28.

Welke functie heeft histamine? (meerdere antwoorden)

a)

Verwijden van de bloedvaten

b)

Doorlaatbaarheid van bloedvaten bevorderen

c)

Binden aan pathogenen

d)

Aantrekken fagocyten

29.

Van welke afweerlinie is de ontstekingsreactie onderdeel?

a)

eerste afweerlinie

b)

Tweede afweerlinie

c)

Derde afweerlinie

30.

Welke vormen van interne afweer hebben ongewervelde? (twee antwoorden)

a)

Fagocyten

b)

Ontstekingsreacties

c)

Antimicrobiële eiwitten

d)

Natural killer cells

31.

Waarom moeten patiënten met een immunodeficiëntie extra voorzichtig zijn?

a)

Door de behandeling kan het lichaam van de patienten minder goed schadelijke stoffen afbreken, ophopen van deze stoffen kan gevaarlijk zijn

b)

Door de medicatie die de patiënten krijgen kunnen ze in shock raken van bepaalde pathogenen

c)

Het immuunsysteem wordt onderdrukt waardoor zelfs een griepvirus dodelijk zou kunnen zijn

32.

Welke bloedgroep kan aan iedereen worden gedoneerd?

a)

O+

b)

O-

c)

AB+

d)

AB-

33.

Hoe noem je een stof die geen pathogeen is maar wel een immuunreactie veroorzaak?

a)

Antigen

b)

Allergie

c)

Allergeen

d)

Epitoop

34.

Welk segment van een antigen receptor draagt niet bij aan de diversiteit van de receptoren?

a)

V - segment

b)

J - Segment

c)

C - segment

35.

Welke cellen kunnen geen antigeen presenterende cel zijn?

a)

Dendritische cellen

b)

Eosinofielen

c)

Macrofagen

d)

B-lymfocyten