wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 1 - Organen en Cellen

Total questions: 33

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Welke van deze onderdelen hebben dierlijke cellen niet?

a)

Celkern

b)

Celmembraan

c)

Cytoplasma

d)

Celwand

2.

Wat is celplasma?

a)

Hier zit alle erfelijke informatie van een organisme

b)

Dit beschermt de cel

c)

Het is vloeistof met opgeloste stoffen

d)

Dat bestaat niet

3.

Wat is het celmembraan?

a)

Dat is hetzelfde als de celwand

b)

Dat bestaat niet

c)

Dat regelt alles wat er in de cel gebeurt

d)

Een dun vlies om het celplasma

4.

Wat is een orgaan?

a)

Een deel van een organisme met een eigen taak

b)

Je verteringsstelsel

c)

Je ademhalingsstelsel

d)

Een cel

5.

Waar pak je een microscoop aan vast?

a)

De statief

b)

De tubus

c)

De oculair

d)

De tafel

6.

Wat is een weefsel?

a)

Een ander woord voor orgaan

b)

Een groep organen bij elkaar

c)

Alle cellen in ons lichaam

d)

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie

7.

Je ziet hier cellen van een organisme. Welke soort cellen zie je?

a)

dierlijke cellen

b)

plantaardige cellen

8.

In de afbeelding zie je een aantal organenstelsels. Welk(e) orgaanstelsel(s) hoort/horen bij het levenskenmerk groeien?

a)

Spierstelsel en bottenstelsel

b)

Bloedvatenstelsel en verteringsstelsel

c)

Verteringsstelsel en spierstelsel

d)

Ademhalingsstelsel en voortplantingsstelsel

9.

Stofwisseling is een levenskenmerk. Wat zijn voorbeelden van stofwisseling?

a)

ademen en groeien

b)

groeien en ontwikkelen

c)

waarnemen en bewegen

d)

ademen en uitscheiden

10.

In een organisme komen onder andere orgaanstelsels, cellen, weefsels en organen voor. Wat is de juiste volgorde van klein naar groot?

a)

weefsels-cellen- orgaanstelsels-organen

b)

weefsels-organen-orgaanstelsels-cellen

c)

cellen-organen-weefsels-orgaanstelsels

d)

cellen-weefsels-organen-orgaanstelsels

11.

In de dwarsdoorsnede van de torso is nummer 4 ...

a)

het hart

b)

de long

c)

de ruggewervel

d)

de slokdarm

12.

Nummer 5 in de afbeelding van de torso is..

a)

een long

b)

de lever

c)

de maag

d)

de dikke darm

13.

DNA bevindt zich in ..

a)

de celkern

b)

in een vacuole

c)

in de celwand

d)

in de celmembraan

14.

Planten zijn heel belangrijke organismen. Zij zijn in staat om zuurstof en voeding in de vorm van glucose te maken. Dit proces heet..

a)

verbranding

b)

fotosynthese

15.

Welke uitspraken zijn waar over chromosomen?

a)

Chromosomen bestaan uit DNA

b)

Elke diersoort heeft evenveel chromosomen

c)

Een mens heeft 48 chromosomen

16.

In de afbeelding zie je een foto van een cel met een celkern.


Vindt er celdeling plaats in deze cel?

En welke uitleg klopt bij het antwoord?

a)

Ja , de chromosomen zijn zichtbaar

b)

Ja, de chromosomen zijn niet zichtbaar

c)

Nee, de chromosomen zijn zichtbaar

d)

Nee, de chromosomen zijn niet zichtbaar

17.

Op welk plaatje is een dierlijke cel te zien?

a)
b)
c)
d)
18.

Welke onderdelen hebben een plantencel wel maar een dierlijke cel niet? (er zijn meer antwoorden goed)

a)

celmembraan

b)

bladgroenkorrels

c)

celwand

d)

mitochondriën

e)

vacuole

19.

welk soort dierlijk weefsel zie je hier?

a)

botweefsel

b)

spierweefsel

c)

zenuwweefsel

20.

In de afbeelding is een aantal organen in de borst- en buikholte van een man weergegeven. Van welke twee orgaanstelsels zijn delen in de buikholte getekend?

a)

van het uitscheidingsstelsel en van het verteringsstelsel

b)

van het uitscheidingsstelsel en van het voortplantingsstelsel

c)

van het verteringsstelsel en van het voortplantingsstelsel

21.

Bij een onderzoek van het darmslijmvlies van een patiënt worden behalve slijmvliescellen ook cellen van onverteerde plantenresten aangetroffen. Enkele delen in en om een cel kunnen zijn: celkern, celmembraan en celwand. Welk van deze delen heeft een plantencel wel, maar een cel uit het darmslijmvlies niet?

a)

Celkern

b)

Celmembraan

c)

Celwand

22.

Enkele organen van een schaap zijn: alvleesklier, hart, lever, longen, maag, slokdarm. Welke drie van deze organen kunnen zich bevinden in de holte die is

aangegeven met S in de afbeelding?

a)

Alvleesklier

b)

Hart

c)

lever

d)

Longen

e)

Slokdarm

23.

Welke aspecten van cellen zijn van belang om te weten of het om cellen van een weefsel gaat?

a)

Vorm

b)

Grootte

c)

Kleur

d)

Functie

e)

Het hebben van een celwand

24.

Zet de verschillende stadia van de mitose in de juiste volgorde.

a)

3 - 6 - 1 - 5 - 7 - 8 - 2 - 4

b)

6 - 3 - 8 - 7 -5 - 1 - 4 - 2

c)

3 - 6 - 8 - 1 - 5- 7 - 4 - 2

d)

2 - 1 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 3

25.

Een ander woord voor mitose =

a)

Reductiedeling

b)

gewone celdeling

c)

speciale celdeling

d)

celdeling

26.

Wat is het nut van mitose?

a)

Het maken van (nieuwe) geslachtscellen

b)

Het maken van (nieuwe) lichaamscellen

c)

Het vernietigen van oude en beschadigde cellen

d)

Het verdelen van cellen door je lichaam

27.

Een celdeling gaat altijd op een vergelijkbare manier. Wat is de juiste volgorde?

a)

Plasmagroei - Celdeling - Kerndeling

b)

Kerndeling - Celdeling - Plasmagroei

c)

Kerndeling - Plasmagroei - Celdeling

d)

Celdeling - Plasmagroei - Kerndeling

28.

Bij een mitose bevat een dochtercel.........?...............chromosomen vergeleken met de moedercel.

a)

evenveel

b)

Het dubbele aantal

c)

De helft van het aantal

d)

een willekeurig aantal

29.

Na een gewone celdeling bij een mens bevat elke dochtercel...

a)

23 chromosomen

b)

46 chromosomen

c)

48 chromosomen

d)

24 chromosomen

30.

Vinden in het lichaam van een ouder persoon celdelingen plaats?

a)

Ja

b)

Nee

c)

Dat kun je niet weten

31.

Marieke heeft blauwe ogen. De oogkleur is een erfelijke eigenschap. Welke stof in een lichaamscel bevat de informatie voor deze eigenschap?

a)

Celkern

b)

Cytoplasma

c)

DNA

d)

Eiwit

32.

Waar precies bevinden zich de chromosomen in het lichaam van een mens?

a)

In het lichaam

b)

In de spieren

c)

In de cel

d)

In de celkern

33.

Een mens heeft 46 chromosomen in de kern van een levercel.

Hoeveel chromosomenPAREN komen dan voor in een spiercel van deze persoon?

a)

46 chromosomenparen

b)

23 chromosomenparen

c)

92 chromosomenparen

d)

2 chromosomenparen