wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H4 (Fi, Wo, Gr) brugklas

Total questions: 20

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Wat is geen prijs voor jeugdboeken?

a)

Gouden Griffel

b)

Woutertje Pieterse Prijs

c)

Gouden Lijst

d)

Prijs van de Jonge Jury

e)

Libris Literatuur Prijs

2.

Welke van de volgende prijzen wordt niet door een vakjury uitgereikt?

a)

Gouden Lijst

b)

Gouden Griffel

c)

Prijs van de Jonge Jury

d)

Woutertje Pieterse Prijs

3.

Welke van de volgende prijzen is specifiek bedoeld voor jeugdboeken in de categorie 12-15 jaar?

a)

Gouden Lijst

b)

Gouden Griffel

c)

Woutertje Pieterse Prijs

4.

Als je in een tekst een woord tegenkomt in een tekst dat je niet kent, wat doe je dan als eerst?

a)

Je vraagt je af of het woord belangrijk is om de tekst te begrijpen.

b)

Je kijkt of je de betekenis kunt afleiden uit de context.

c)

Je kijkt of je de betekenis kunt afleiden uit het woord zelf.

d)

Je zoekt het woord op in een woordenboek of op internet.

5.

Welke strategie pas je toe als je de betekenis van het woord frikoos wilt bepalen in deze zin?


Vroeger was hij behoorlijk frikoos, maar de laatste tijd lijkt hij een stuk vrolijker.

a)

Je gebruikt de context: het woord wordt uitgelegd.

b)

Je gebruikt de context: er staat een woord met een tegengestelde betekenis in de zin.

c)

Je gebruikt de context: er wordt een voorbeeld genoemd.

d)

Je gebruikt het woord zelf: het woord heeft een voor- of achtervoegsel dat je kent.

6.

Wat betekent erkennen?

a)

inzien, toegeven

b)

inzien dat iets niet zo heel belangrijk is

c)

aantonen, aan het licht brengen

d)

erover nadenken, de voors en tegens afwegen

7.

Wat betekent het formaat?

a)

grootte, afmeting

b)

aankoop

c)

maat voor energie

d)

juiste opeenvolging van oorzaak en gevolg

8.

Wat betekent alsmaar?

a)

steeds, voortdurend

b)

ouderwets, niet meer van deze tijd

c)

bijna

d)

krachtig

9.

Welk woord hoort bij de betekenis aantonen, aan het licht brengen?

a)

Uitwijzen

b)

Relativeren

c)

Vervellen

d)

Aanvoeren

10.

Welk woord hoort bij de betekenis niet te voorkomen?

a)

onvermijdelijk

b)

achterhaald

c)

excellent

d)

energiek

11.

Welke uitspraak over het meewerkend voorwerp is waar?

a)

In elke zin staat een meewerkend voorwerp.

b)

Een meewerkend voorwerp begint altijd met aan of voor.

c)

Je vindt het meewerkend voorwerp door de vraag: aan/voor wie/wat + wg + o + lv.

12.

Wat is het meewerkend voorwerp in onderstaande zin?


De ober brengt de klanten een kopje koffie.

a)

Deze zin heeft geen meewerkend voorwerp.

b)

De ober

c)

De klanten

d)

Een kopje koffie

13.

Wat is het meewerkend voorwerp in onderstaande zin?


Ik zie hem meestal aan de waterkant.

a)

Deze zin heeft geen meewerkend voorwerp.

b)

Ik

c)

hem

d)

aan de waterkant

14.

Bepaal de tijd van onderstaande zin.


De leraar is gisteren nogal tegen hem uitgevallen.

a)

o.t.t.

b)

o.v.t.

c)

v.t.t.

d)

v.v.t.

15.

Bepaal de tijd van onderstaande zin.


Ik ga echt niet naar hem zitten luisteren!

a)

o.t.t.

b)

o.v.t.

c)

v.t.t.

d)

v.v.t.

16.

Bepaal de persoonlijke voornaamwoorden in onderstaande zin.


Wij geloven niet dat jij hem jouw geheim echt verteld hebt.

a)

Wij, jij, hem

b)

Wij, jij, hem, jouw

c)

Wij, jij, jouw

d)

Jij, hem, jouw

e)

Wij, jij

17.

Hun of hen?


Ik geloof ... (1) niet, want ik heb ... (2) dat verhaal al eerder verteld bij ... (3) thuis.

a)

1: hun, 2: hen, 3: hen

b)

1: hen, 2: hun, 3; hen

c)

1: hen, 2: hun, 3: hun

d)

1: hun, 2: hen, 3: hun

18.

Bezittelijk of persoonlijk voornaamwoord?


Ons vertrouwen heb je, want hebt haar altijd geholpen.

a)

Ons: psv, haar: bzv

b)

Ons: bzv, haar: psv

c)

Ons: psv, haar: psv

d)

Ons: bzv, haar: bzv

19.

Welke van de onderstaande woorden kan zowel persoonlijk als bezittelijk voornaamwoord zijn?

a)

jou

b)

jullie

c)

onze

d)

zijn

20.

Bepaal de bezittelijke voornaamwoorden in onderstaande zin.


Jouw oppas en mijn schoonzus hebben gisteren je kamer opgeruimd.

a)

Jouw, mijn, je

b)

Jouw, mijn

c)

Jouw, je

d)

Mijn, je