wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nederlands 1

Total questions: 82

Worksheet time: 44mins

Name
Class
Date
1.
Wat is het ergste?
a)
Catastrofe
b)
Ongeval
c)
Een tegenvaller
2.
Welke uitdrukking betekent hetzelfde?
Hij is een vrolijke Frans
a)
Hij is altijd komisch
b)
Hij is altijd heel netjes
c)
Hij is altijd vrolijk
3.
Iemand die het goed naar zijn zin heeft,
a)
Heeft een tuintje op zijn buik.
b)
Is in zijn knollentuin
c)
Is om de tuin geleid.
4.
Hij heeft last van depressies betekent:
a)
Hij heeft veel sombere buien.
b)
Hij is erg chagrijnig
c)
Hij kan niet tegen de kou.
5.
Iemand met liefdesverdriet heeft
a)
een ruim hart
b)
een groot hart
c)
een gebroken hart
6.
Zij ziet er opgewekt uit, betekent
a)
Ze ziet er grappig uit.
b)
Ze ziet er vrolijk uit.
c)
Ze ziet er feestelijk uit.
7.
Wanneer lach je het hardst?
a)
Als je een binnenpretje hebt.
b)
Als je schaterlacht.
c)
Als je glimlacht.
8.
Wie heel gelukkig is, is
a)
in de zevende hemel
b)
onder de blote hemel
c)
een geschenk uit de hemel.
9.
Wanneer heb je het meeste plezier?
a)
Als iets naar je zin is.
b)
als je intens geniet.
c)
als het ermee door kan.
10.
Welk woord is goed gespeld?
a)
autocros
b)
estafete
c)
etappewedstrijd
11.
Bij welke sport hoort het woord bidon?
a)
waterpolo
b)
klootschieten
c)
wielrennen
12.
Welk woord is goed gespeld?
a)
kogelsstoten
b)
polsstokspringen
c)
maratthon
13.
Bij welke sport past het woord barrage?
a)
paardensport
b)
wielrennen
c)
golf
14.
Welk woord is goed gespeld?
a)
waterskie
b)
waterssport
c)
kano
15.
Welk woord is goed gespeld?
a)
judooka
b)
worstelaar
c)
karateca
16.
Bij welke sport hoort het woord serveren?
a)
biljarten
b)
zeilen
c)
tennis
17.
Hij zit tot over zijn oren in het werk betekent:
a)
Zijn bureau ligt vol met stapels papieren
b)
Hij heeft verschrikkelijk veel te doen
c)
Hij werkt zo hard dat hij niets meer hoort.
18.
Welk woord past voor alle woorden?
..... maker    ......familie     .....rijden
a)
fijn
b)
orde
c)
rijden
19.
Wat betekent: Hij slooft zich uit.
a)
Hij doet zijn werk zo langzaam mogelijk
b)
Hij doet zijn werk overdreven goed
c)
Hij maakt zijn werk voor de avond af.
20.
Welk woord is juist gespeld?
a)
fabricage
b)
fabrikage
c)
fabriekage
21.
Welk woord is juist gespeld?
a)
educatiev
b)
educatief
c)
educatif
22.
Welk woord is juist gespeld?
a)
docend
b)
dosent
c)
docent
23.
Welk woord past voor alle woorden?
.......schilder     ........harmonica  .......heelkunde
a)
hals
b)
kaak
c)
mond
24.
Hij werkt aan de lopende band, betekent
a)
Hij werkt constant
b)
Hij werkt in een garage.
c)
Hij werkt volgens een rooster
25.
Wat is de correcte spelling?
a)
proffesioneel
b)
profesioneel
c)
professioneel
26.
Welk woord past voor alle woorden?
.......kamer      .......rekening     .......keten
a)
flat
b)
camping
c)
hotel
27.
Welk woord hoort bij vliegreis?
a)
beheren
b)
indienen
c)
annuleren
28.
Welk woord hoort bij restaurant?
a)
opkalefateren
b)
opdienen
c)
opkroppen
29.
Welke uitdrukking hoort erbij:
Hij heeft geen zin meer om te wandelen, hij gaat met de bus.
a)
Hij houdt het voor gezien.
b)
Hij raakt buiten zinnen.
c)
Hij heeft geen puf meer.
30.
Welk woord past voor alle woorden?
......stok     ....zeil     ... haring
a)
tent
b)
loop
c)
ketting
31.
Welk woord hoort erbij:
houden - uitschrijven - uitspreken
a)
vraaggesprek
b)
speech
c)
interview
32.
Welk woord hoort erbij.
Uitzenden - opnemen - spelen
a)
reportage
b)
wedstrijd
c)
reclamespotje
33.
Hoe schrijf je een telwoord in letters?
a)
acht honderd twintig
b)
achthonderd twintig
c)
achthonderdtwintig
34.
Hoe schrijf je dat woord voluit?
a)
barbecue
b)
barbeque
35.
Hoe schrijf je dat?
a)
een chique feest
b)
een chic feest
c)
een sjiek feest
36.
Hoe zou jij het zeggen?
a)
Mijn oma kan net zo rennen als jij.
b)
Mijn oma kan net zo rennen dan jij.
37.
Welke zin is juist?
a)
Mijn hond is veel liever dan jouw zus.
b)
Mijn hond is veel liever als jouw zus.
38.
Hoe schrijf je het woord?
a)
cafés
b)
cafees
c)
café's
39.
Hoe schrijf je het verkleinwoord van opa?
a)
opatje
b)
opaatje
c)
opa'tje
40.
Hoe schrijf je dat?
a)
Een tuinkabouter op ware grootte.
b)
Een tuinkabouter op ware grote.
41.
Gebruik ik hen of hun ?
a)
Ik heb hun nog nooit gezien.
b)
Ik heb hen nog nooit gezien.
42.
Hoe schrijf je het woord aan het begin van de zin?
a)
's Morgens eet ik cornflakes.
b)
'S morgens eet ik cornflakes
c)
'S Morgens eet ik cornflakes.
43.
Wat is het verkleinwoord van jongen?
a)
jongentje
b)
jongetje
c)
jongetjes
d)
jongentjes
44.
Hoe schrijf ik het woord?
a)
zonnenbank
b)
zonnebank
45.
Wat betekent de afkorting t.a.v. ?
a)
Ten aanzien van
b)
ter attentie van
c)
te alle vragen
46.
Hoe schrijf je het woord?
a)
abonement
b)
abonnement
c)
abonnenment
47.
vertellen dat iets gaat komen of gebeuren
In de inleiding staat een ... van het onderwerp.
a)
activeren
b)
aankondigen
c)
argumenteren
d)
benadrukken
48.
iets wat je zegt of schrijft
Welke ... is juist?
a)
bewering
b)
citeren
c)
feit
d)
commentaar
49.
waarvoor iets is bedoeld
Wat is de ... van de laatste alinea?
a)
feit
b)
het gestelde
c)
conclusie
d)
functie
50.
iets wat door iets anders gebeurt
In alinea 8 staan de ... van de jacht op de herten.
a)
oorzaak
b)
doel
c)
gevolg
d)
middel
51.
hoe iets in elkaar zit
In de inleiding staat de ... van de tekst.
a)
opbouw
b)
reden
c)
oorzaak
d)
voorbeeld
52.
Wat is géén synoniem voor "mening"?
a)
opvatting
b)
opinie
c)
overhalen
d)
overtuiging
53.
Wat is géén tekstdoel?
a)
amuseren
b)
activeren
c)
overtuigen
d)
voorspellen
54.
Wat is géén tekstverband?
a)
tegenstelling
b)
waarschuwing
c)
voorwaarde
d)
chronologisch
55.
Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord "als ... dan"?
a)
oorzaak-gevolg
b)
doel-middel
c)
voorwaarde
d)
opsomming
56.
Wat is een samenvatting?
a)
de belangrijkste zin 
b)
de inhoud in het kort
c)
de conclusie 
d)
het onderwerp 
57.
Wat is een "reden"?
a)
waarom je iets doet
b)
een voorwaarde
c)
wat je bedoelt
d)
een toelichting
58.
Welk begrip past hier NIET tussen?
a)
aansporen
b)
activeren
c)
overtuigen
d)
overhalen
59.
Welk begrip past hier NIET tussen?
a)
conclusie
b)
doel-middel
c)
functie
d)
tegenstelling
60.
Welk begrip past hier NIET tussen?
a)
aandacht trekken
b)
aankondigen
c)
waarschuwen
d)
weergeven
61.
Welk begrip past hier NIET tussen?
a)
citeren
b)
informeren
c)
het gestelde
d)
de bewering
62.
TT: Het water wor... heel heet.
a)
t
b)
d
c)
dt
63.
TT: Dat vliegtuig lan.... diep in de nacht.
a)
t
b)
d
c)
dt
64.
TT: Tegenwoordig onderschei... men twee soorten: zeezout en steenzout.
a)
t
b)
d
c)
dt
65.
TT: Voor de winning worden schachten geboor...
a)
t
b)
d
c)
dt
66.
VT: Met een grappig speech overhandig... hij het cadeau.
a)
d
b)
de
c)
dde
67.
Kies de juiste schrijfwijze:  
a)
doe-het-zelfzaak
b)
doe-het-zelf-zaak
c)
doe-het-zelf zaak
d)
doe het zelf zaak  
68.
Wat is de juiste schrijfwijze van 15 328?  
a)
Vijftien duizend driehonderdachtentwintig
b)
Vijftienduizenddriehonderdachtentwintig
c)
Vijftienduizend driehonderdachtentwintig
d)
Vijftienduizend driehonderd achtentwintig
69.
Verval is gloed nieuw
a)
goed
b)
fout
c)
matig
d)
zerrat
70.
Wat is streven
a)
verlangen naar
b)
matig
c)
Niet leuk
d)
Stiekem
71.
Constateren is iets concluderen
a)
GOED
b)
Fout
c)
matig
d)
de maker van deze quiz weet het zelf niet eens
72.
Vernuftig is
a)
slim
b)
dom
c)
Complex
d)
Een geheel
73.
Gesneden koek is
a)
Gemakkelijk
b)
Moeilijk
c)
abnormaal
74.

Een woord dat een verband legt tussen delen van een tekst is een ...

a)

signaalwoord

b)

verbindingswoord

75.

Voorbeelden van signaalwoorden om een doel uit te drukken zijn ...

a)

omdat, want, daarom, om deze reden ...

b)

als, tenzij, mits, pas wanneer ...

c)

hoewel, ook al, toch, weliswaar ...

d)

om, hiervoor, daartoe, om dit te bereiken ...

76.

Bij welk soort humor zeg je het tegenovergestelde van wat je bedoelt zonder echt te willen kwetsen?

a)

Ironie

b)

Cynisme

c)

Sarcasme

d)

Zwarte humor

77.

Duid de correcte werkwoordspelling aan.

a)

Hij heeft geskate.

b)

Hij heeft geskatet

c)

Hij heeft geskated

78.

Duid de juiste werkwoordspelling aan.

a)

De verlichte palen.

b)

De verlichtte palen.

79.

Duid de juist gespelde woorden aan.

a)

Discipline

b)

Tomatensoep

c)

Groentensoep

d)

Paraplu's

80.

Duid de juist gespelde woorden aan.

a)

Naief

b)

Proffessor

c)

Alleszinds

d)

Enquête

81.

Thuis gebruik je ...

a)

Formele taal

b)

Informele taal

82.

Tijdens een sollicitatiegesprek gebruik je...

a)

Informele taal

b)

Formele taal