wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

toets H5 en H6 lj. 1

Total questions: 63

Worksheet time: 41mins

Name
Class
Date
1.

Een nieuwsbericht of achtergrond artikel heeft

a)

een amuserend doel

b)

een informatief doel

c)

een activerend doel

d)

een overtuigend doel

2.

Een stripverhaal heeft een

a)

amuserend doel

b)

informatief doel

c)

activerend doel

d)

overtuigend doel

3.

Een advertentie voor hulp aan Afrika heeft een

a)

amuserend doel

b)

informatief doel

c)

overtuigend doel

d)

activerend doel

4.

Een handleiding of instructie heeft een

a)

amuserend doel

b)

informatief doel

c)

activerend doel

d)

overtuigend doel

5.

Waar kun je de kernzin vinden?

a)

Dat kun je niet weten

b)

In het midden van een alinea

c)

Het is altijd de eerste zin

d)

In de eerste, tweede of juist laatste zin van een alinea

6.

Het belangrijkste doel van een brief van de NS over tariefswijzigingen is ...

a)

informeren

b)

instrueren

c)

overhalen

d)

overtuigen

7.

Wat zijn de 5 tekstdoelen?

a)

Informeren, instructies geven, overtuigen, activeren, amuseren/ ontroeren

b)

Informeren, leukigheid, overtuigen, activeren, lezen

c)

Instructies geven, amuseren/ ontroeren, overtuigen, de lees motor activeren, artikel

d)

Plezier, overtuigen, activeren, artikel, informeren

8.
Wat is de verleden tijd van zwemmen?
a)
zwemden
b)
zwemten
c)
zwiemen
d)
zwommen
9.
Wat is de verleden tijd van helpen?
a)
helpten
b)
helpden
c)
hielpen
d)
hulpen
10.
Wat is de verleden tijd van drinken?
a)
drinkten
b)
drinkden
c)
dranken
d)
dronken
11.
Wat is de verleden tijd van worden?
a)
wordden
b)
werden
c)
wierden
d)
waarden
12.

Wanneer gebruik je de tegenwoordige tijd?

a)

Als iets nu gebeurt

b)

Als iets later gebeurt

c)

Als iets al voorbij is

13.

Wat is een sterk werkwoord?

a)

Woorden zoals 'kracht, gewichtheffen en bodybuilding'

b)

Een werkwoord krijgt een andere klank in de verleden tijd

c)

Een werkwoord kan niet in de verleden tijd worden gezet

d)

Sterke werkwoorden bestaan niet

14.

Hoe weet je hoe je een sterk werkwoord schrijft?

a)

't ex-kofschip

b)

Langer maken

c)

Dit moet je onthouden

d)

Sterke werkwoorden schrijf je net als zwakke werkwoorden

15.

Hoe maak je de stam van een werkwoord?

a)

-en van het hele werkwoord afhalen

b)

't ex-kofschip gebruiken

c)

Het werkwoord langer te maken

d)

Het werkwoord vooraan de zin te zetten

16.

Waar kun je 't ex-kofschip voor gebruiken?

a)

Als je niet weet of de persoonsvorm met -de(n) of -te(n) geschreven moet worden

b)

Als je niet weet hoe je een sterk werkwoord schrijft

c)

Als het werkwoord in het meervoud staat

d)

Als er meerdere werkwoorden in de zin staan

17.

Verleden tijd


Het verlegen kind (durven) ... niet binnen komen.

a)

durvde

b)

durfte

c)

durfden

d)

durfde

18.

Tegenwoordige tijd


Kristine (feliciteren) ... hem voor zijn verjaardag.

a)

felicetert

b)

feliciteert

c)

feliciteer

d)

feliciteerde

19.

Verleden tijd


Maar even later (verdwijnen) ...... de ruzie als vanzelf.

a)

verwijnt

b)

verdwijnde

c)

verdween

d)

verdwenen

20.

Tegenwoordige tijd


Hij (googelen) ...... alles wat hij niet weet.

a)

Googelt

b)

Googlet

c)

Googled

d)

Googeld

21.

Tegenwoordige tijd


Hij (branden) ... zijn vinger aan de hete pan.

a)

Branden

b)

Brand

c)

Brandt

d)

Brant

22.

Het meisje ......... (barsten) in tranen uit gisteren.

a)

barste

b)

barstte

c)

barstten

d)

barst

23.

De stagiair is met zijn stage .............. (stoppen).

a)

gestopt

b)

gestopd

24.

De leerlingen uit de tweede klas hebben een culturele middag ............ (beleven)

a)

beleeft

b)

beleefd

c)

beleefte

d)

beleefde

25.

Gisteren ................ (zoeken) hij een hele tijd naar jou.

a)

zoekt

b)

zoekte

c)

zocht

26.

Mijn zusje heeft drie sigaretten ............... (roken).

a)

roken

b)

rookt

c)

geroken

d)

gerookt

27.

Juliette ... 13 jaar oud !

a)

heb

b)

ben

c)

Ik weet het niet !

d)

is

28.

De beste vriend van Milo ... Clarence

a)

is

b)

heeft

c)

heb

d)

zijn

29.

Sarah ... een gsm.

a)

heb

b)

heeft

c)

zijn

d)

is

30.

Ik ... geen schrift vandaag !

a)

heeft

b)

heb

c)

hebt

d)

hebben

31.

Vul in op de puntjes, in de verleden tijd:

De leerlingen van de leerlingenraad ... hun klasgenoten.

a)

informeren

b)

informeerde

c)

informeerden

d)

informeer

32.

Vul in op de puntjes, in de verleden tijd:

Hoe ... de vorige koningin van Nederland?

a)

heet

b)

heette

c)

hete

d)

heetten

33.

Vul in op de puntjes, in de verleden tijd:

Mijn broertje van vijf ... alweer zijn glas melk om.

a)

stoot

b)

stote

c)

stootte

d)

stootten

34.

Vul in op de puntjes, in de verleden tijd:

Het winkelpand ... volgens de krant helemaal uit.

a)

brand

b)

brande

c)

brandde

d)

brandden

35.

Vul in op de puntjes, in de verleden tijd:

Tijdens de cruise ... mijn opa en oma heerlijk uit.

a)

rusten

b)

ruste

c)

rustten

d)

rustte

36.

(missen)

Ik ........ mijn trein en kwam te laat

a)

mistte

b)

miste

c)

misde

d)

mis

37.

(ruiken)

De verwaarloosde man ..... je al van verre

a)

ruiktte

b)

ruiktten

c)

ruikte

d)

rook

38.

(tennissen)

Waar ...... het duo het afgelopen weekend?

a)

tenniste

b)

teniste

c)

tennisde

d)

Tenniste

39.

(lachen)

Gisteren ...... wij ons een hoedje om de mop van de vierjarige.

a)

lachden

b)

lachtten

c)

lagten

d)

lachten

40.

Waar of niet waar:

Bij zelfstandige naamwoorden die eindigen op een -a, -o, -u, -i of -y, schrijf je 's in het meervoud.

a)

Waar

b)

Niet waar

41.

Wat is het meervoud van positie?

a)

positiën

b)

positieën

c)

posities

d)

positie's

42.

Wat is het meervoud van penalty?

a)

penalty's

b)

penaltys

c)

penalties

d)

penaltiën

43.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.


......... (melden, tt) je je even bij de wedstrijdleiding?

a)

Meld

b)

Meldt

c)

Melt

44.

Met welk leesteken moet deze zin eindigen?


Vond je het ook niet een supergaaf concert

a)

Punt

b)

Uitroepteken

c)

Vraagteken

45.

Welke van deze werkwoorden is sterk?

a)

Ploeteren

b)

Zwijgen

c)

Horen

d)

Ontmoeten

46.

Welke van deze werkwoorden is sterk?

a)

Schelden

b)

Verlangen

c)

Branden

d)

Breien

47.

Welk woord uit de zin is een zelfstandig naamwoord?

Ik koop een bal.

a)

ik

b)

koop

c)

een

d)

bal

48.

Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin?

Hij koopt die auto.

a)

hij

b)

koopt

c)

die

d)

auto

49.

Wat is in deze zin het zelfstandig naamwoord?

De lucht is erg mooi.

a)

de

b)

lucht

c)

is

d)

mooi

50.

Wat is het meervoud van: de computer

a)

de computeren

b)

de computers

c)

de computer's

d)

de computerren

51.

Wat is het meervoud van: de boom

a)

De bomen

b)

De boomen

c)

De bommen

d)

De boms

52.
De namen van plaatsen en maanden schrijf je met een hoofdletter.
a)
Juist
b)
Onjuist
53.

Als je de stam van een werkwoord maakt, haal je er alleen -en af.

a)

Juist

b)

Onjuist

54.

De stam van lopen is:

a)

lop

b)

loop

c)

loopt

55.
Vul het juist gespelde werkwoord (pv-vt) in: 
Sebastien Haller (voetballen) bij FC Utrecht.
a)
voetbalt
b)
voetbalde
c)
voetbalte
56.
Het meervoud van pyjama is:
a)
pyjama's
b)
pyjamas
c)
pyjamaas
57.
Het meervoud van televisie is:
a)
televisies
b)
televisie's
58.
Hoe heet de Nederlandse Koning?
a)
Filip Alexander
b)
Frans Alexander
c)
Willem Alexander
d)
Jan Willem
59.
Waar komt Maxima vandaan?
a)
Spanje
b)
Portugal
c)
Argentinië
d)
België
60.
Wat is de hoofdstad van Nederland?
a)
Rotterdam
b)
Amsterdam
c)
Maastricht
d)
Utrecht
61.
Nederland heeft twee buurlanden. Welke landen zijn dat?
a)
Duitsland en Polen
b)
Oostenrijk en België
c)
Duitsland en Frankrijk
d)
Duitsland en België
62.
In welke stad vergadert de regering van Nederland?
a)
Amsterdam
b)
Utrecht
c)
Maastricht
d)
Den Haag
63.
Nederland heeft twee officiële talen.
a)
waar
b)
niet waar