wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

schaarste

Total questions: 15

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

Schaarste in de economie betekent:

a)

dat er weinig is

b)

dat er meer behoeften dan middelen zijn

c)

dat er meer middelen dan behoeften zijn

d)

dat iets heel zeldzaam is

2.

Wat geeft een budgetlijn weer?

a)

combinaties van 2 producten die maximaal met een budget gekocht kunnen worden

b)

welk budget je maximaal met de aanwezige productiefactoren kunt verdienen

c)

welke behoeften je kunt vervullen met de aanwezige middelen

d)

in hoeverre producten alternatief aanwendbaar zijn gegeven het maximaal beschikbare budget

3.

Wat betekent arbeidsproductiviteit?

a)

productie per arbeidskracht per tijdseenheid

b)

de totale productie die een bedrijf maximaal kan maken met de aanwezige productiefactoren

c)

productie per arbeider

d)

hoe productief alle arbeiders samen zijn

4.

Waardoor wordt de arbeidsproductiviteit verhoogd?

a)

door opleiding

b)

door arbeidsdeling

c)

door ervaring

d)

door extra beloning

e)

door het bedrijf langer te laten werken

5.

Waarom moeten we kiezen in de economie?

a)

omdat we oneindige behoeften hebben en beperkte middelen

b)

omdat we heel veel keuzemogelijkheden hebben

c)

omdat we een arbeidsproductiviteit hebben die vaak lager is dan dat we zouden willen

d)

omdat producten en diensten alternatief aanwendbaar zijn

6.

Welke formule hoort er bij een procentuele verandering?

a)

(nieuw-oud)/oud x 100

b)

(nieuw/oud) x 100

c)

(oud-nieuw)/oud x 100

d)

(oud/nieuw) x 100

7.

Welke formule hoort er bij een opgave waarbij je een aandeel uit moet rekenen?

a)

(deel/geheel) x 100

b)

(geheel/deel) x 100

c)

(nieuw/oud) x 100

d)

(oud/nieuw) x 100

8.

Wanneer komt een ruil tot stand?

a)

Als er wederzijds voordeel is

b)

Als iemand iets graag wil hebben

c)

Als er een kopende en een verkopende partij is

d)

Als de transactiekosten hoger zijn dan het wederzijds voordeel

9.

Welke functies heeft geld?

a)

ruilmiddel, oppotmiddel, rekenmiddel

b)

ruilmiddel, rekenmiddel, betaalmiddel

c)

oppotmiddel, rekenmiddel, spaarmiddel

d)

ruilmiddel, spaarmiddel, betaalmiddel

10.

Welke waarden kan geld hebben?

a)

intrinsieke waarde, nominale waarde, interne waarde

b)

intrinsieke waarde, nominale waarde, chartale waarde

c)

nominale waarde, interne waarde, girale waarde

d)

girale waarde, chartale waarde, interne waarde

11.

Wat is de nominale waarde van geld?

a)

de waarde die op het geld staat

b)

wat je met het geld kunt kopen

c)

de waarde van het materiaal van het geld

d)

de koopkracht van het geld waarbij je rekening houdt met de prijzen

12.

Wat is de interne waarde van geld?

a)

de waarde die op het geld staat

b)

is gelijk aan fiduciair geld waarbij het om het vertrouwen gaat

c)

de waarde van het materiaal van het geld

d)

de koopkracht van het geld waarbij je rekening houdt met de prijzen

13.

Wat is de intrinsieke waarde van geld?

a)

de waarde die op het geld staat

b)

is gelijk aan fiduciair geld waarbij het om het vertrouwen gaat

c)

de waarde van het materiaal van het geld

d)

de koopkracht van het geld waarbij je rekening houdt met de prijzen

14.

Wat is de Wet van Gresham?

a)

geld dat een hogere intrinsieke waarde heeft dan de nominale waarde zal niet uitgegeven worden door consumenten

b)

geld dat een lagere intrinsieke waarde heeft dan de nominale waarde zal niet uitgegeven worden door de consumenten

c)

geld dat een hogere interne waarde heeft dan de nominale waarde zal niet uitgegeven worden door de consumenten

d)

geld dat een hogere nominale waarde heeft dan de interne waarde zal niet uitgegeven worden door de consumenten

15.

Hoe bereken je een indexcijfer?

a)

jaar/basisjaar x 100

b)

basisjaar/jaar x 100

c)

basisjaar x 100

d)

basisjaar - jaar x 100