wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2BK Talent grammatica woordsoorten 1.4, 2.4 en 3.4

Total questions: 40

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Hij maakt ook de moeilijke opdrachten in zijn schrift.


Welk woordsoort?


Hij

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

e)

persoonlijk voornaamwoord

2.

De docent zegt dat ook tegen hen.


Welk woordsoort?


De

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

telwoord

e)

voorzetsel

3.

De docent zegt dat ook tegen hen.


Welk woordsoort?


docent

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

telwoord

e)

voorzetsel

4.

De jongen stalde zijn fiets naast het fietsenrek onder de brug.


Welk woordsoort?


naast

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

voorzetsel

e)

telwoord

5.

De jongen stalde zijn fiets naast het fietsenrek onder de brug.


Welk woordsoort?


brug

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

telwoord

d)

voorzetsel

e)

werkwoord

6.

De jongen stalde zijn fiets naast het fietsenrek onder de brug.


Welk woordsoort?


onder

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

persoonlijk voornaamwoord

7.

De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.


Welk woordsoort?


jonge

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

telwoord

d)

voorzetsel

e)

bijvoeglijk naamwoord

8.

De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.


Welk woordsoort?


De

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

telwoord

d)

voorzetsel

e)

werkwoord

9.

De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.


Welk woordsoort?


vader

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

telwoord

d)

voorzetsel

e)

werkwoord

10.

De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.


Welk woordsoort?


bos

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

bijvoeglijk naamwoord

11.

De woorden de, het en een zijn lidwoorden.

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

Een naam zoals ''Jan'' is een ...

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

voorzetsel

c)

Zelfstandig naamwoord

d)

Werkwoord

13.

Een zelfstandig naamwoord is een woord voor: mensen, dieren, planten, dingen of namen.

a)

Juist

b)

Onjuist

14.
Tussen een lidwoord en een zelfstandig naamwoord kan er een bijvoeglijk naamwoord staan.
a)
Juist
b)
Onjuist
15.

''Johan heeft de ...... televisie kapot gemaakt.''

Wat kan je op de plaats van de puntjes invullen?

a)

Werkwoord

b)

Bijvoeglijk naamwoord

c)

Voorzetsel

d)

Lidwoord

16.

Een ..... zegt wat iets of iemand doet of overkomt. We noemen ze ook wel "doe-woorden".

a)

Telwoord

b)

Bijvoeglijk naamwoord

c)

Werkwoord

d)

Zelfstandig naamwoord

17.
''Maria schrijft het huiswerk van Pieter over.''
Het werkwoord in deze zin is:
a)
schrijft
b)
schrijft over
18.
''De leraar belde vorige week mijn ouders op.''
Het woordje ''op'' in de zin is een voorzetsel
a)
Juist
b)
Onjuist
19.
Bijvoeglijk naamwoorden kunnen ook achter een zelfstandig naamwoord staan.
a)
Juist
b)
Onjuist
20.

''De auto van Jan is duur.''

Het woordje duur in de zin is een:

a)

Werkwoord

b)

Telwoord

c)

Zelfstandig naamwoord

d)

Bijvoeglijk naamwoord

21.
Bijvoeglijk naamwoorden zeggen iets over een:
a)
Voorzetsel
b)
Werkwoord
c)
Zelfstandig naamwoord
d)
Bijwoord
22.

Mijn telefoon zit nog in mijn kluisje.''

Het woord ''in'' is een ...

a)

Vragend voornaamwoord

b)

Telwoord

c)

Zelfstandig naamwoord

d)

Voorzetsel

23.

De slordige jongen heeft de boeken voor een ander vak bij zich.

a)

vz

b)

lw

c)

bn

d)

zn

e)

tw

24.

De slordige jongen heeft de boeken voor een ander vak bij zich.

a)

vz

b)

lw

c)

bn

d)

zn

e)

tw

25.

De jonge meisjes gingen op vakantie naar Ibiza.

a)

vz

b)

lw

c)

bn

d)

zn

e)

tw

26.

De jonge meisjes gingen op vakantie naar Ibiza.

a)

vz

b)

lw

c)

bn

d)

zn

e)

tw

27.

De jonge meisjes gingen op vakantie naar Ibiza.

a)

vz

b)

lw

c)

bn

d)

zn

e)

tw

28.

Het autootje van mijn lieve, oude oma is rood.

a)

vz

b)

lw

c)

bn

d)

zn

e)

tw

29.

Het autootje van mijn lieve, oude oma is rood.

a)

vz

b)

lw

c)

bn

d)

zn

e)

tw

30.

Welke zin past bij een werkwoord?

a)

Het zegt iets over een ander woord.

b)

Het is een mens, dier of ding.

c)

Het is een doe-woord

d)

Er staat altijd ge, be, ver of ont voor.

31.

Welke woorden zijn werkwoorden?

a)

School

b)

Bureau

c)

Lopen

d)

Stoel

e)

Gaan

32.

Welke zin past bij een werkwoord?

a)

Er komt een e of en achter het woord

b)

Het zegt iets over een ander woord.

c)

Je kunt er de, het of een voor zetten

d)

Je kunt er ik, jij, hij, zij of wij voor zetten.

33.

Welke woorden zijn werkwoorden?

a)

Potlood

b)

Rekenen

c)

Schaatsbaan

d)

Glas

e)

Worden

34.

Welke woorden zijn werkwoorden?

a)

Gebeurd

b)

Dag

c)

Elke

d)

Fijn

e)

Zijn

35.

Het hele werkwoord noem je ook wel de ......

a)

infinitief

b)

hele werkwoorden

c)

lidwoorden

d)

woordsoorten

e)

persoonsvorm

36.
a)

Ravenklauw

b)

Griffoendor

c)

Zwadderich

d)

Huffelpuff

37.

Harry is een.....?

a)

Huffelpuff

b)

Griffoendor

c)

Ravenklauw

d)

Zwadderich

38.

Hoe heette Harry's uil?

a)

Pluisje

b)

Schurfie

c)

Hedwig

d)

Knikkebeen

39.

Wie vertelde aan Harry dat hij een tovenaar is?

a)
b)
c)
d)
40.

Wie is Harry Potter's grootste vijand?

a)
b)
c)
d)