wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

NN literatuur H45 Hoofdstuk 4 Middeleeuwen

Total questions: 20

Worksheet time: 3mins

Name
Class
Date
1.

Waarom noemen we de middeleeuwen zo?

a)

Alles was nogal gemiddeld in de middeleeuwen

b)

Het was de periode tussen de oudheid en de nieuwe tijd

c)

Maatschappelijk en wetenschappelijk was het middelmatig interessant

2.

Welk geloof was het belangrijkst in de middeleeuwen?

a)

Het christendom

b)

De islam

3.

Het geloof in de middeleeuwen was vooral gericht in een goed leven hier op aarde.

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

4.

De grootste tegenstander van God was...

a)

De troubadour

b)

De islam

c)

De duivel

d)

Karel de Grote

5.

Welke stand ontstond pas in de late middeleeuwse standenmaatschappij?

a)

Geestelijkheid

b)

Adel

c)

Boeren

d)

Burgerij

6.

Waardoor ontstond de slavenhandel?

a)

Toegenomen welvaart

b)

De opkomst van de steden

c)

De duivel had dat geregeld

d)

Rooftochten door Vikingen en Saracenen

7.

'Ik ga even een boekje lezen!' riep men in de middeleeuwen na een dag hard werken.

a)

Dat is juist, ze werkten zich te pletter op het land

b)

Nee joh, ze konden helemaal niet lezen

8.

Welke kenmerk hoort niet bij middeleeuwse teksten?

a)

De zinnen waren op rijm

b)

De zinnen werden gezongen

c)

De zinnen waren erg kort

d)

De teksten kon men kopen bij een klooster

9.

Waardoor wordt hoofsheid gekenmerkt? Kies er twee

a)

Het leven aan het hof

b)

Men was galant

c)

Men genoot van het leven

d)

Men kon zich beheersen

10.

Een Marialegende beschrijft het leven en de dood van een heilige.

a)

Dat is juist

b)

Dat is niet juist

11.

De rol van de vrouw in hoofse romans is ondergeschikt.

a)

Dat is juist

b)

Dat is niet juist

12.

Welke symbolische kleuren zie je vaak in afbeeldingen van Maria? Kies er twee.

a)

Rood

b)

Wit

c)

Blauw

d)

Oranje

13.

Hoe noem je de afdeling van een klooster waar de handschriften door monniken werden overgeschreven (en versierd/geïllustreerd)?

a)

Schrijfkamer

b)

Monnikenkabinet

c)

Scriptiezaal

d)

Scriptorium

14.

Iedere middeleeuwer had sowieso de bijbel in huis.

a)

Dat is juist

b)

Dat is niet juist

15.

Welke periode kwam er na de middeleeuwen?

a)

De gouden eeuw

b)

De verlichting

c)

De 19e eeuw

d)

De renaissance

16.

Floris is een christelijke prins

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

17.

De naam Blancefloer is symbolisch, hij staat voor zuiverheid

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

18.

Beatrijs had een speciale functie in het klooster, welke?

a)

Ze was novice (leerling-non)

b)

Ze was abdis (hoofd van het klooster)

c)

Ze was kosteres (bewaarde de sleutels)

d)

Ze was schoonmaakster (poetste Mariabeelden)

19.

Beatrijs verkocht haar lichaam gedurende zeven vette jaren.

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

20.

Welke les haal je uit het verhaal van Beatrijs?

a)

Na zeven vette jaren komen altijd zeven magere jaren

b)

Vertrouw nooit een man, hij wil direct in het veld de liefde bedrijven

c)

Als je maar tot Maria blijft bidden, komt alles goed

d)

Verlaat nooit het klooster