Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4M Planten voorkennis

Total questions: 45

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.
Wat is geen functie van de wortels?
a)
Water opnemen
b)
Plant vastzetten in bodem
c)
Opslaan reservevoedsel
d)
Water vervoeren
2.
Welk nummer geeft de zijwortel aan?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
3.
Welk van de genummerde delen zal vooral als functie het opnemen van water hebben?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
4.
Wat is de functie van onderdeel 2?
a)
Opnemen van water
b)
Plant vastzetten in bodem
c)
Opnemen van Voedingsstoffen
d)
Opslaan reservevoedsel
5.
Welk van onderstaande planten zal het grootste wortelstelsel hebben?
a)
Plant in droge bodem
b)
Plant in natte bodem
6.
Wat zorgt er voor transport in stengels?
a)
Okselknop
b)
Buizen
c)
Vaten
d)
Lid
7.
Welke plant verkrijgt stevigheid door water?
a)
Kruidachtige plant
b)
Houtachtige plant
8.
Welk nummer geeft een knoop aan?
a)
1
b)
2
c)
9
d)
10
9.
Hoe noem je deel 3?
a)
Knoop
b)
Lid
c)
Knop
d)
Blad
10.
Wat is geen functie van de stengel
a)
Vasthouden wortels
b)
Vasthouden bladeren
c)
Vasthouden bloemen
d)
Transport van water
11.
Welk nummer geeft de hoofdnerf aan?
a)
6
b)
7
c)
8
d)
9
12.
Wat wordt er gevormd bij fotosynthese
a)
water
b)
koolstofdioxide
c)
voeding
d)
zonlicht
13.
In welk deel van de bladeren bevinden zich de vaten?
a)
Nerven
b)
Bladmoes
c)
Bladrand
d)
Alleen in de bladsteel
14.
Waaruit ontstaat een blad
a)
Okselknop
b)
Eindknop
c)
Okselknop en eindknop
d)
Knoop
15.
Wanneer vindt fotosynthese plaats?
a)
Alleen Overdag
b)
Alleen s' nachts
c)
Nooit
d)
Overdag en 's nachts
16.

Wat is noodzakelijk voor fotosynthese? (Meerdere antwoorden zijn juist!)

a)

Water

b)

Licht

c)

Zuurstof

d)

Glucose

e)

Koolstofdioxide

17.

Hoe heet het deel tussen de nerven van een blad?

a)

Bladskelet

b)

Bladmoes

c)

Bladweefsel

d)

Bladgroen

18.

Waarom zijn planten handig voor ons (mensen)? (Meerdere antwoorden zijn juist!)

a)

Planten produceren stikstof

b)

Planten produceren zuurstof

c)

Planten produceren glucose

d)

Planten produceren water

19.

Waar vindt de meeste verdamping plaats in een plant?

a)

Aan de bovenkant van het blad

b)

Bij de stengels

c)

Bij de wortels

d)

Aan de onderkant van het blad

20.

Waar in deze plant vindt fotosynthese plaats?

a)

Alleen in de bladeren

b)

Alleen in de stengels

c)

Alleen in de wortels

d)

In alle groene delen van deze plant

21.

Wat is de formule voor fotosynthese?

a)

water + koolstofdioxide + licht → glucose + zuurstof

b)

glucose + zuurstof → water + koolstofdioxide + licht

c)

stikstof + water → koolstofdioxide + zuurstof

d)

water + koolstofdioxide → glucose + zuurstof + licht

22.

Het waslaagje ...

a)

Zit aan de bovenkant van het blad

b)

Zit aan de onderkant van het blad

c)

Zit in het midden van het blad

d)

Bladeren hebben geen waslaagje

23.
Groepje van lange, dunne buisjes in de stengel van een plant, om water te vervoeren.
a)
vaatbundel
b)
vatenstelsel
c)
transportbundel
d)
transportstelsel
24.
Wat kan je aflezen aan de jaarringen van een boom?
a)
De leeftijd
b)
Hoe goed / slecht een boom het in zijn leven heeft gehad
c)
Leeftijd EN oe goed / slecht een boom het in zijn leven heeft gehad
d)
Niks
25.

Hoe oud is deze boom

a)

Dat kan je zo niet zien

b)

12

c)

6

d)

24

26.

Dit is een rode biet. Wat rood is, kan je opeten. Welk deel van de plant eet je?

a)

De wortel

b)

De stengel

c)

De bladeren

27.

Welke plant staat op een droge plek? (Kijk naar de wortels!)

a)

Plant 1

b)

Plant 2

c)

Plant 1 en 2

d)

Geen enkele plant

28.

Dit is spinazie. Dit komt van een plant. Welk deel van de plant eet je hier op?

a)

De wortel

b)

De stengel

c)

De bladeren

29.

Wat is met dit blad gebeurd?

a)

De hoofdnerf en zijnerven zijn dood (rot). Je ziet nu de bladspieren

b)

Het bladmoes is dood (rot). Je ziet nu het bladskelet

c)

Het bladmoes is dood (rot). Je ziet nu de bladspieren

30.

Wat zie je bij nummer 1 tot 5?

a)

volwassen planten

b)

kieming

c)

fotosynthese

31.

Waar zie je een volwassen plant?

a)

nummer 4

b)

nummer 5

c)

nummer 6

d)

nummer 7

32.

Waar moet je mee oppassen als je een plant in een andere pot doet.

a)

Dat je de wortelharen niet beschadigt

b)

Dat de stengel niet scheurt

c)

Dat de blaadjes er niet afvallen

33.

Welk onderdeel van de plantencel wordt aangegeven met 5?

a)

Cytoplasma

b)

Celwand

c)

Bladgroenkorrel

d)

Celkern

34.

Wat gaat het blad UIT door de huidmondjes?

a)

Zuurstof

b)

Koolstofdioxide

c)

Bladvloeistof

d)

Water

35.

Welk onderdeel van de plantencel wordt aangegeven met 1?

a)

Cytoplasma

b)

Celwand

c)

Bladgroenkorrel

d)

Celkern

36.

Welk onderdeel van de plantencel wordt aangegeven met 3?

a)

Cytoplasma

b)

Celwand

c)

Bladgroenkorrel

d)

Celkern

37.

Welk onderdeel wordt aangegeven met 4?

a)

Navel

b)

Zaadlob

c)

Poortje

d)

Kiem

38.

Welk onderdeel wordt aangegeven met 2?

a)

Navel

b)

Zaadlob

c)

Poortje

d)

Kiem

39.
De stengels van houtachtige planten zijn stevig, zolang de wortels voldoende water kunnen opnemen
a)
Juist
b)
Onjuist
40.

Welke vaten bevinden zich onderaan het blad?

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

41.

Welke cellen bevinden zich om de houtvaten en bastvaten

a)

Vulweefsel

b)

Opperhuid

c)

Vezels

d)

Waslaagje

42.

Wat is de functie van het waslaagje?

a)

De bladeren laten glimmen

b)

Bladeren glad maken

c)

Bescherming tegen stoten

d)

Bescherming tegen uitdrogen

43.

Waar bevinden zich de huidmondjes van een blad

a)

Onderkant

b)

Bovenkant

c)

Zijkant

44.

Uit welke cellen bestaan huidmondjes

a)

Vulcellen

b)

Bladgroencellen

c)

Opperhuidcellen

d)

Sluitcellen

45.

Hoe sluiten de huidmondjes?

a)

Deze nemen water op

b)

Deze geven water af