wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4vb verhaalanalyse literaire begrippen

Total questions: 23

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Op welke drie manieren kun je ruimte beschrijven?

a)

geografisch, fysiek, atmosferisch

b)

geologisch, fysiek, atmosferisch

c)

mentaal, fysiek, geologisch

d)

atmosferisch, mentaal en geografisch

2.

Een fabel is:

a)

het verhaal in chronologische volgorde (hoe het gebeurd is)

b)

het verhaal zoals de schrijver het heeft opgeschreven (hoeft niet chronologisch)

c)

geen van beiden

d)

kan allebei

3.

Wat is het verschil tussen flashback en terugverwijzing?

a)

flashback duurt langer dan een terugverwijzing

b)

terugverwijzing duurt langer dan flashback

c)

beide begrippen zijn hetzelfde

d)

geen van allen

4.

Waarom worden flashbacks ingezet?

a)

om daden en gedachten te verduidelijken van personages

b)

om diepgang aan te brengen

c)

het is een kenmerk van hoogstaande literatuur

d)

om bijpersonen te introduceren en te verhelderen

5.

'Vorige week was hij ook al te laat' is een:

a)

terugverwijzing

b)

flashback

c)

vooruitwijzing

d)

flashforward

6.

In welk type boeken vind je voornamelijk flashforwards?

a)

science fiction

b)

oorlog

c)

drama en familie

d)

familie en vriendschap

7.

Wat is een ander woord voor tijdverdichting?

a)

tijdversnelling

b)

tijdvertraging

c)

geen van beide

8.

Wat doet tijdvertraging?

a)

een scène wordt uitvoerig beschreven om meer impact te creëren

b)

een langere periode wordt samengevat in enkele zinnen

9.

Wat houdt verteltijd in?

a)

de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen/te lezen of de hoeveelheid bladzijdes.

b)

de hoeveelheid tijd die in een verhaal verstrijkt

10.

Mag je flashbacks meerekenen bij de vertelde tijd?

a)

ja

b)

nee

11.

Een informatieve opening wordt gegeven bij:

a)

ab ovo

b)

in medias res

c)

allebei

d)

geen van beide

12.

Hoe herken je een opening 'in medias res'?

a)

je valt midden in een verhaal

b)

je begint bij het begin

13.

Wat veroorzaakt een verhaal dat 'in medias res' begint?

a)

een breuk in de chronologie

b)

geen breuk in chronologie

c)

dat een sujet en fabel overeenkomen

14.

Open plekken bestaan nog steeds bij een:

a)

open einde

b)

gesloten einde

c)

beide

d)

geen van beide

15.

Wat zijn manipulatietechnieken?

a)

manieren om spanning op te bouwen

b)

manieren om open plekken te creëren

c)

manieren om flashbacks in te voegen

d)

manieren om de lezer op het verkeerde been te zetten

16.

Wat zijn open plekken?

a)

het achterhouden van informatie/vragen die bij je opkomen

b)

open plekken = open einde

c)

open plekken zijn flashbacks

17.

Hoe formuleer je het thema van een verhaal?

a)

in een volledige zin

b)

in een paar korte zinnen

c)

één zin, één woord of enkele woorden

d)

altijd in één woord

18.

'Gebeurtenissen, voorwerpen of gevoelens die steeds terugkeren in de tekst' is een omschrijving van:

a)

motieven

b)

het leidmotief

c)

het thema

d)

de boodschap

19.

'Een tastbaar object/voorwerp dat telkens terugkeert in het verhaal' is een omschrijving van:

a)

motieven

b)

een leidmotief

c)

thema

d)

de boodschap

20.

'Dit personage maakt een psychologische ontwikkeling door' is een:

a)

flat character

b)

round character

c)

past bij beide characters

d)

karikatuur

21.

Bij welk vertelperspectief is de verteller geen personage in het verhaal?

a)

auctoriaal perspectief/alwetende verteller

b)

hij/zij-perspectief of personale verteller

c)

ik-perspectief

22.

Welk vertelperspectief is onbetrouwbaar?

a)

alwetende verteller/auctoriaal perspectief

b)

ik-perspectief

c)

personale verteller

23.

Als je jouw mening geeft over bijv. seksistische opvattingen van een auteur:

a)

gebruik je morele argumenten

b)

gebruik je realistische argumenten

c)

gebruik je vernieuwingsargumenten

d)

structurele argumenten