NEW
Font size
WorksheetsWerkwoorden tt en vt (SP B3)
Total questions: 20
Worksheet time: 20mins
De piraten hebben het schip ... (veroveren).
Verovert
Veroverd
Veroverdt
De ober ... (bedienen) ons nu erg snel.
Bedient
Bediend
Bediendt
Jullie hebben teveel ... (betalen).
Betaalt
Betaald
Betaaldt
Gisteren is er een ongeluk ... (gebeuren).
Gebeurt
Gebeurd
Gebeurdt
Papa ... (besturen) nu de auto.
Bestuurt
Bestuurd
Bestuurdt
Hij ... (worden) daar niet blij van.
Wort
Word
Wordt
De kat werd ... (belonen) voor zijn goede gedrag.
Beloont
Beloond
Beloondt
Dat heeft zij gisteren ... (ontdekken).
Ontdekt
Ontdekd
Ontdekdt
Waarom heeft Lieke dat niet ... (verdelen)?
Verdeelt
Verdeeld
Verdeeldt
Die bus ... (vervoeren) alleen scholieren.
Vervoert
Vervoerd
Vervoerdt
Gisteren is er een ongeluk ... (gebeuren).
Gebeurt
Gebeurd
Gebeurdt
Hij ... (verbranden) nu zijn vinger.
Verbrant
Verbrand
Verbrandt
Hij heeft gisteren zijn vinger ... (verbranden).
Verbrant
Verbrandt
Verbrand
Ik heb daar weinig geld mee ... (verdienen).
Verdient
Verdiend
Verdiendt
Hij ... (verdienen) niks want hij werkt niet.
Verdient
Verdiend
Verdiendt
Rinus ... (bestellen) altijd alles online.
Bestelt
Besteld
Besteldt
Vorige week heeft hij zelfs tandenstokers online ... (bestellen).
Bestelt
Besteld
Besteldt
Nick ... (beleven) altijd nieuwe avonturen.
Beleeft
Beleefd
Beleefdt
Hij heeft gisteren veel ... (beleven).
Beleeft
Beleefd
Beleefdt
Zij heeft dat niet op tijd ... (beseffen).
Beseft
Besefd
Besefdt
