wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

NN 1M H3 Grammatica

Total questions: 20

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de persoonsvorm van deze zin?


In de winter kunnen vogels moeilijk voedsel vinden.

a)

kunnen

b)

vogels

c)

voedsel

d)

kunnen vinden

2.

Wat is het werkwoordelijk gezegde van deze zin?


De koolmezen gaan van de mezenbollen eten.

a)

de koolmezen

b)

gaan

c)

de mezenbollen

d)

gaan eten

3.

Wat is het onderwerp van deze zin?


De pimpelmezen willen naar hun nestkastjes vliegen.

a)

De pimpelmezen

b)

willen

c)

hun nestkastjes

d)

willen vliegen

4.

Wat is het werkwoordelijk gezegde van deze zin?


Martine ging de roodborstjes speciaal vogelvoer voeren.

a)

Martine

b)

ging

c)

de roodborstjes

d)

ging voeren

5.

Welke regel is juist?

a)

Je vindt de persoonsvorm door de vraag wie of wat + werkwoordelijk gezegde te stellen.

b)

Je vindt het onderwerp door de vraag wie of wat + werkwoordelijk gezegde te stellen.

c)

Je vindt het onderwerp door de tijdproef te doen.

d)

Je vindt het werkwoordelijk gezegde door de vraag wie of wat + persoonsvorm te stellen.

6.

Welke regel is niet juist?

a)

Het werkwoordelijk gezegde zijn alle werkwoorden van een zin.

b)

Het werkwoordelijk gezegde is de persoonsvorm + alle overige werkwoorden.

c)

Je kunt de persoonsvorm vinden door de getalproef te doen.

d)

Je vindt de persoonsvorm door de vraag wie of wat + werkwoordelijk gezegde te stellen.

7.

Wat is de persoonsvorm van deze zin?


In die winkel kun je mooie stripboeken kopen.

(a)  

8.

Wat is het werkwoordelijk gezegde van deze zin?


Gisteren belde ik de directeur van de school op.

(a)  

9.

Wat is het onderwerp van deze zin?


Na de sneeuwbui kleurde de lucht helemaal blauw.

(a)  

10.

Wat is de persoonsvorm van deze zin?


Neemt je vriendin wel eens wat lekkers voor je mee?

(a)  

11.

Wat is het werkwoordelijk gezegde van deze zin?


Morgen wil ik een mooie brief aan Cis Meijer gaan schrijven.

(a)  

12.

Wat is het onderwerp van deze zin?


Een aantal leerlingen haalde erg goede cijfers voor Duits.

(a)  

13.

Wat is de persoonsvorm van deze zin?


Carla heeft in de pauze een flesje water gedronken.

a)

Carla

b)

heeft

c)

een flesje water

d)

heeft gedronken

14.

Wat is het onderwerp van deze zin?


Met een drone kon Thijs mooie luchtfoto's maken.

a)

Met een drone

b)

kon maken

c)

Thijs

d)

mooie luchtfoto's

15.

Wat is het werkwoordelijk gezegde van deze zin?


Jesse moest zijn handen voor het eten gaan wassen.

a)

Jesse

b)

moest

c)

moest wassen

d)

moest gaan wassen

16.

Wat is het onderwerp van deze zin?


De vrolijke visboer maakt met zijn klanten altijd een praatje.

a)

de vrolijke visboer

b)

maakt

c)

zijn klanten

d)

een praatje

17.

Wat is de persoonsvorm van deze zin?


Na het schoolfeest ruimen de leerlingen met elkaar de rommel op.

a)

het schoolfeest

b)

ruimen

c)

de leerlingen

d)

ruimen op

18.

Wat is het werkwoordelijk gezegde van deze zin?


Dit weekend gaan we de verjaardag van Elien vieren.

a)

gaan

b)

we

c)

de verjaardag

d)

gaan vieren

19.

Wat is het werkwoordelijk gezegde van deze zin?


We kunnen vrijdag wel een rondje gaan fietsen.

a)

we

b)

kunnen

c)

een rondje

d)

kunnen gaan fietsen

20.

Wat is het onderwerp van deze zin?


In het Dagblad van het Noorden staat elke dag een mooie strip.

a)

het Dagblad van het Noorden

b)

staat

c)

een mooie strip

d)

elke dag