wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2KBL pv, ow, gz H1 herhalen

Total questions: 20

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de pv: Wat is jouw naam?

a)

Wat

b)

is

c)

jouw

d)

naam

2.

Wat is de pv: Hebben jullie veel pepernoten gegeten?

a)

Hebben

b)

jullie

c)

pepernoten

d)

gegeten

3.
De persoonsvorm is een zinsdeel.
a)
Waar
b)
Niet waar
4.
Een zinsdeel bestaat altijd uit één woord.
a)
Waar
b)
Niet waar
5.
De persoonsvorm is altijd een werkwoord.
a)
Waar
b)
Niet waar
6.
Bij de tijdproef zet je de zin in een andere tijd.
a)
Waar
b)
Niet waar
7.
Wat is de persoonsvorm in de volgende zin: Mijn tante komt morgen op  bezoek.
a)
Komt
b)
Morgen
c)
Mijn tante
8.
Wat is de persoonsvorm in de volgende zin: Ik ren snel naar school toe.
a)
Ik
b)
Ren
c)
Naartoerennen
9.

Benoem het onderwerp

Maaike en Christel moesten 30 minuten hardlopen van de docent.

a)

moesten

b)

Maaike

c)

Maaike en Christel

d)

de docent

10.
Benoem het ow.
Vinden jullie die nieuwe docent ook zo streng?
a)
jullie
b)
nieuwe docent
c)
vinden
d)
streng
11.

Benoem het gezegde

Wanneer heb jij die toets gemaakt?

a)

die toets

b)

heb

c)

wanneer

d)

heb gemaakt

12.
Benoem het gez.
De winnaar kocht meteen een nieuwe Porsche.
a)
kocht
b)
meteen
c)
de winnaar
d)
een nieuwe Porsche
13.
Benoem het gez.
Hoelang heb jij naar het antwoord gezocht?
a)
Hoelang
b)
heb gezocht
c)
gezocht
d)
het antwoord
14.
Zoek het onderwerp in deze zin.
Harry Potter gaat voor het eerst naar Zweinstein.
a)
Harry Potter
b)
Zweinstein
c)
gaat
d)
eerst
15.

Hoe kun je het onderwerp vinden?

a)

Kijk naar de werkwoorden.

b)

Vraag 'wie' of 'wat' + de persoonsvorm

c)

Kijk naar de lidwoorden.

d)

Maak een vraagzin.

16.
zoek het onderwerp:

De president spreekt de Franse bevolking toe.
a)
Franse
b)
spreekt
c)
spreekt toe
d)
de president
17.

Benoem het onderstreepte rode zinsdeel.


De bange jongen hoorde een vreemd geluid op de zolder van het huis.

a)

Werkwoordelijk Gezegde (WG)

b)

Onderwerp (Ow)

c)

Lijdend Voorwerp (LV)

18.

Benoem het onderstreepte rode zinsdeel.


Met veel inspanning kon de keeper van het voetbalelftal het doelpunt voorkomen.

a)

Werkwoordelijk Gezegde (WG)

b)

Onderwerp (Ow)

c)

Lijdend Voorwerp (LV)

19.

Het gezegde bestaat uit alle werkwoorden in een zin.

a)

waar

b)

niet waar

20.

Hoe vind je de persoonsvorm?

a)

Maak de zin vragend.

b)

Zet de zin in een andere tijd.

c)

Zet de zin in het enkelvoud (als de zin al in het enkelvoud staat, zet je hem in het meervoud).

d)

Alle drie de opties zijn mogelijk.