wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

proeftoets hst1. krachten gebruiken

Total questions: 30

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

1.2 zwaartekracht is gelijk aan

a)

massa in kg : 9,81

b)

massa in kg x 9,81

c)

massa in kg x 98,1

d)

massa in kg : 98,1

2.

1.1 De eenheid van kracht is

a)

Newton

b)

Joule

c)

Kelvin

d)

Tesla

3.

2.1 Als het systeem in evenwicht is dan

a)

is kracht x arm links groter dan rechts

b)

is kracht x arm rechts groter dan links

c)

is kracht x arm links en rechts gelijk

d)

er kan helemaal geen evenwicht zijn

4.

3.1 Wat is een takel?

a)

een vaste katrol aan het plafond

b)

een losse katrol aan de last

c)

een combinatie bestaande uit een vaste en een losse katrol

d)

een combinatie bestaande uit ten minste een losse en ten,minste een vaste katrol

5.

3.3 Een doos van 25 kg wordt met behulp van een vaste katrol gehesen. Hoe groot moet de minimale hijskracht zijn?

a)

25kg

b)

25N

c)

245kg

d)

245N

e)

250N

6.

3.2 Jan zegt elke losse katrol in een takel halveert de kracht die nodig is om te hijsen. Piet zegt een vaste katrol halveert de hijskracht.

a)

Jan en Piet hebben beide gelijk

b)

Alleen Jan heeft gelijk

c)

Alleen Piet heeft gelijk

d)

Jan en Piet hebben beide geen gelijk

7.

2.5 bekijk de afbeelding goed en bereken de ontbrekende kracht in N

a)

180 N

b)

60 N

c)

120 N

d)

40 N

8.

3.1 Wat kun je NIET met tandwielen?

a)

een beweging versnellen

b)

een beweging vertragen

c)

een beweging verbeteren

d)

een beweging van richting laten veranderen

9.

3.1 Welke bewering is waar?

a)

Bij tandwieloverbrenging treedt er altijd vertraging op.

b)

Bij tandwieloverbrenging is de draairichting van de tandwielen tegengesteld.

c)

Bij tandwieloverbrenging is de draairichting van de tandwielen hetzelfde.

d)

Bij tandwieloverbrenging draaien de tandwielen altijd even snel.

10.

3.1 Welke bewering is waar?

a)

Bij kettingoverbrenging is de draairichting van de tandwielen gelijk.

b)

Bij kettingoverbrenging treedt er altijd slip op.

c)

Bij kettingoverbrenging is de draairichting tegengesteld.

d)

Bij een kettingoverbrenging is de overbrenging van krachten altijd kleiner dan bij riemen of snaren.

11.

3.4 Een riemoverbrenging heeft de volgende gegevens:

Kleine riemschijf: diameter 30 mm.

Grote riemschijf: diameter 90 mm, toerental 100 omwentelingen/min.

De kleine riemschijf heeft draait met een snelheid van:

a)

300 omwentelingen/min.

b)

100 omwentelingen/min.

c)

200 omwentelingen/min.

d)

33 omwentelingen/min.

12.

1.5 Welke zin is waar.

a)

Het moment van een kracht is gelijk aan de grootte van de kracht × de lengte van de hefboom.

b)

Bij een hefboom in evenwicht hoort de kleinste kracht bij de kortste arm.

c)

De arm van een hefboom is de afstand tussen het draaipunt en het einde van de hefboom.

d)

Een hefboom heeft altijd een draaipunt en twee armen.

13.

1.6 Herman kan een steekkar in verschillende standen vasthouden.

In welke stand is de benodigde spierkracht het kleinst?

a)

stand A

b)

stand B

c)

stand C

d)

de kracht is in elk voorbeeld gelijk

14.

1.6 Joop wil een stuk ijzerdraad doorknippen. Hij bezit drie tangen.

Bij welke tang is de kracht op het ijzerdraad het kleinst (ervan uitgaand dat Joop steeds even hard knijpt)?

a)

combinatietang

b)

draadtang

c)

nijptang

15.

2.5 Ziana gebruikt de draadtang om een stuk koperdraad af te knippen. Ze oefent daarbij een kracht F = 12 N uit op elk van de twee handvatten.

Hoe groot is de kracht die op het koperdraad wordt uitgeoefend?

a)

2.4 N

b)

4.8 N

c)

60 N

d)

120 N

16.

1.6 Wat kun je zeggen over de kracht die Hans uitoefent op de stok?

De kracht die Hans uitoefent is ....... de zwaartekracht op de kast.

a)

even groot als

b)

kleiner dan

c)

groter dan

17.

3.1 De takel in de tekening bestaat uit:

a)

een losse katrol en 3 vaste katrollen

b)

twee losse katrollen en 2 vaste katrollen

c)

vier losse katrollen

d)

vier vaste katrollen

18.

2.6 In de tekening zie je hoe een kist van 150 kg omhoog wordt gehesen met behulp van een aantal katrollen.

Hoe groot is de benodigde trekkracht op het touw?

a)

150 N

b)

491 N

c)

736 N

d)

1472 N

19.

3.3 Jaring heeft boven zijn tafel een dubbele hanglamp.

Elk snoer loopt van contactpunt C via een losse katrol met een gewicht en een vaste katrol naar de lamp. Jaring brengt een lamp 24 cm omlaag.

Hoeveel gaat het bijbehorende gewicht dan omhoog?

a)

6 cm

b)

12 cm

c)

24 cm

d)

48 cm

20.

4.1 Welke 2 beweringen zijn wel waar?

a)

De druk verandert als Petra haar armen recht omhoog steekt.

b)

De druk verandert als Petra op haar tenen gaat staan.

c)

De druk wordt kleiner als Petra haar broertje van 3 op de arm neemt.

d)

De druk verandert als Petra languit op de grond gaat liggen.

e)

De druk wordt kleiner als Petra op één been gaat staan.

21.

4.2) 0,15 N/cm2 =

a)

0,15 Pa

b)

1.5 Pa

c)

15 Pa

d)

150 Pa

e)

1500 Pa

22.

4.2) 8500 N/m2 =

a)

8.5 Pa

b)

85 Pa

c)

850 Pa

d)

8500 Pa

23.

4.2 Met welke formule bereken je de druk?

a)

ρ = F - A

b)

ρ = F + A

c)

ρ = F : A

d)

ρ = F x A

24.

4.5 Waarom hebben de transportwagens veel wielen?

a)

om de druk onder de wielen te vergroten

b)

om de druk onder de wielen te verkleinen

c)

om het gewicht van het station op de wielen te vergroten

d)

om het gewicht van het station op de wielen te verkleinen

25.

1.4 Wat is GEEN voorbeeld van een hefboom

a)

schaar

b)

zaklamp

c)

schommel

d)

deurkruk

e)

kruiwagen

26.

2.2 Wat is de formule voor de hefboomwet?

a)

F = m x g

b)

p = F / A

c)

(F x r)links = (F x r) rechts

27.

2.3 Wat is de functie van het contragewicht?

a)

Die zorgt voor evenwicht

b)

Die zorgt voor een zwaardere rechterhelft zodat de slagboom kan openen

c)

Die zorgt voor een lichtere rechterhelft zodat de slagboom gesloten kan blijven

d)

Puur voor de sier

28.

4.4 Een hond van 25 kg staat met 4 poten op het gras. Iedere poot heeft een oppervlakte van 8 cm2. Hoe groot is de druk die de hond uitoefent op het gras?

a)

3,1 N/cm2

b)

31 N/cm2

c)

0,78 N/cm2

d)

7,7 N/cm2

29.

4.3 Een kist staat op een vloer. Op de kist werkt een zwaartekracht van 200 N. De kist is 20 cm lang en 30 cm breed. Hoe groot is de druk op de vloer?

a)

3333 N/m2

b)

333 N/m2

c)

3,3 N/m2

d)

0,33 N/m2

e)

Het goede antwoord staat er niet tussen

30.

1.3 Wat is juist over een werklijn?

a)

Een werklijn geeft aan groot de kracht is

b)

De werklijn is de afstand tussen het draaipunt en de kracht die wordt uitgeoefend

c)

Een werklijn geeft de plek aan waar de kracht wordt uitgeoefend

d)

Een werklijn is een verlegging van de krachtpijl met een stippellijn