NEW
Font size
WorksheetsNT2 quiz A1 6.1
Total questions: 25
Worksheet time: 13mins
Op welk plaatje zie je een jas?
Wat is het meervoud van de sok?
de soken
de sokken
het sokje
Waar zie je het overhemd?
Wat is het meervoud van het hemd?
de hemdden
de hemds
de hemden
Welk lidwoord hoort voor ....... jurkje?
het
de
Wat is geen kleding?
het medicijn
het hemd
de trui
de rok
Vul de goede vorm in van passen:
Wij ....... de kleren.
past
passen
pas
Wat zie je op het plaatje?
De trui
De jas
Het vest
De schoen
Wat is het enkelvoud van de jassen?
de jass
de jas
de jaas
het jasje
Waar zie je de onderbroek?
Welk lidwoord hoort voor ....... scholen?
een
het
de
Waar zie je de schoenen?
Hoe heet dit kledingstuk?
de rok
de jurk
het vest
de korte broek
Welk lidwoord hoort voor ....... broek?
de
het
Wat zie je?
de broek
het hemd
de jas
de sok
Wat zie je op het plaatje?
passen
het feest
de kleding
de paskamers
Wat is het meervoud van het feest?
het feestje
het feests
de feesten
Vul de goede vorm in van passen:
....... jij de jurk?
Pas
Past
Passen
Wat is een medewerker?
Iemand die kleding past.
Iemand die in een winkel werkt.
Iemand die les geeft.
Wat zeg je als iemand even op je moet wachten?
Rustig!
Stop!
Een moment geduld alsjeblieft.
Dank je wel!
Wat zie je op het plaatje?
de maat
de jas
de pil
de knoop
Vul de goede vorm in van trouwen:
Hij ....... met de vrouw.
trouwt
trouw
trouwen
op welk plaatje zie je het feest?
Wat is het meervoud van de knoop?
de knoops
de knoopen
de knopen
het knoopje
Vul de goede vorm in van passen:
Ik ....... de trui.
passen
past
pas
pass
