wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

NT2 quiz A1 6.1

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Op welk plaatje zie je een jas?

a)
b)
c)
d)
2.

Wat is het meervoud van de sok?

a)

de soken

b)

de sokken

c)

het sokje

3.

Waar zie je het overhemd?

a)
b)
c)
4.

Wat is het meervoud van het hemd?

a)

de hemdden

b)

de hemds

c)

de hemden

5.

Welk lidwoord hoort voor ....... jurkje?

a)

het

b)

de

6.

Wat is geen kleding?

a)

het medicijn

b)

het hemd

c)

de trui

d)

de rok

7.

Vul de goede vorm in van passen:


Wij ....... de kleren.

a)

past

b)

passen

c)

pas

8.

Wat zie je op het plaatje?

a)

De trui

b)

De jas

c)

Het vest

d)

De schoen

9.

Wat is het enkelvoud van de jassen?

a)

de jass

b)

de jas

c)

de jaas

d)

het jasje

10.

Waar zie je de onderbroek?

a)
b)
c)
d)
11.

Welk lidwoord hoort voor ....... scholen?

a)

een

b)

het

c)

de

12.

Waar zie je de schoenen?

a)
b)
c)
d)
13.

Hoe heet dit kledingstuk?

a)

de rok

b)

de jurk

c)

het vest

d)

de korte broek

14.

Welk lidwoord hoort voor ....... broek?

a)

de

b)

het

15.

Wat zie je?

a)

de broek

b)

het hemd

c)

de jas

d)

de sok

16.

Wat zie je op het plaatje?

a)

passen

b)

het feest

c)

de kleding

d)

de paskamers

17.

Wat is het meervoud van het feest?

a)

het feestje

b)

het feests

c)

de feesten

18.

Vul de goede vorm in van passen:


....... jij de jurk?

a)

Pas

b)

Past

c)

Passen

19.

Wat is een medewerker?

a)

Iemand die kleding past.

b)

Iemand die in een winkel werkt.

c)

Iemand die les geeft.

20.

Wat zeg je als iemand even op je moet wachten?

a)

Rustig!

b)

Stop!

c)

Een moment geduld alsjeblieft.

d)

Dank je wel!

21.

Wat zie je op het plaatje?

a)

de maat

b)

de jas

c)

de pil

d)

de knoop

22.

Vul de goede vorm in van trouwen:


Hij ....... met de vrouw.

a)

trouwt

b)

trouw

c)

trouwen

23.

op welk plaatje zie je het feest?

a)
b)
c)
d)
24.

Wat is het meervoud van de knoop?

a)

de knoops

b)

de knoopen

c)

de knopen

d)

het knoopje

25.

Vul de goede vorm in van passen:


Ik ....... de trui.

a)

passen

b)

past

c)

pas

d)

pass