wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lodewijk XIV en het absolutisme

Total questions: 10

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de juiste volgorde van belangrijkheid van de standenmaatschappij?

a)

adel - geestelijkheid - Derde Stand

b)

geestelijkheid - adel - Derde Stand

c)

adel - boeren - burgers

d)

geestelijkheid - boeren - burgers

2.

Waarom werd de adel gedwongen op het paleis van Lodewijk XIV te verblijven?

a)

Dan kon de koning de adel in de gaten houden

b)

Dan kon de koning makkelijker met zijn ministers overleggen

c)

Dan kon de adel makkelijker belasting betalen

d)

Dan kon de adel de koning goed controleren

3.

Waarom waren de meeste boeren arm?

a)

Zij moesten veel belasting betalen

b)

Zij kregen niet genoeg salaris

c)

De oogst mislukte regelmatig

d)

Zij hadden nauwelijks rechten

4.

Lodewijk XIV had als kind een opstand van de adel meegemaakt. Hij liet de adel op zijn paleis verblijven.

a)

De onderstreepte zin is de oorzaak van de eerste zin

b)

De onderstreepte zin is het gevolg van de eerste zin

c)

De onderstreepte zin heeft niets te maken met de eerste zin

5.

Welke uitspraak is van een absolute koning?

a)

Ik regeer alleen en hoef niemand te gehoorzamen

b)

Ik regeer samen met mijn ministers en overleg met ze

c)

Ik luister naar wat het volk wil

d)

Mijn ministers regeren voor mij en ik moet ze gehoorzamen

6.

Wat was de bijnaam van Lodewijk XIV?

a)

Zonnekoning

b)

Zomerkoning

c)

Sterrendans

d)

Maanlanding

7.

Lodewijk XIV: dat is dus....

a)

de veertiende

b)

de zestiende

c)

de twaalfde

d)

de vierentwintigste

8.

Waarom leefde de Franse boeren in armoede?

a)

Zij moesten veel belasting betalen en pacht voor de landbouwgrond

b)

De prijs van brood was te hoog

c)

Zij betaalden veel belasting en hadden geen huis

d)

Zij hadden nauwelijks landbouwgrond om van te kunnen leven

9.

Wat was geen nadeel van het leven aan het hof van Lodewijk XIV?

a)

Er waren nauwelijks toiletten

b)

Er werd veel geroddeld

c)

Er waren geen feesten

d)

Er was nauwelijks privacy

10.

Wie hoefden geen belasting te betalen?

a)

burgers en adel

b)

geestelijken en burgers

c)

adel en geestelijken

d)

geestelijken en burgers