wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

ordening zw3k

Total questions: 59

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.

Welk kenmerk hebben gewervelden allemaal?

a)

Een inwendig skelet van kalk

b)

Leggen eieren met een schaal

c)

Hebben een huid met een vacht

d)

Hebben allemaal een skelet van alleen maar botweefsel

2.

Welk celkenmerk heeft het rijk van de bacteriën wel?

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Vacuole

d)

Bladgroenkorrels

3.

Welk dier hoort bij de geleedpotigen?

a)
b)
c)
d)
4.

Met welk nummer is het DNA weergegeven?

a)

4

b)

8

c)

5

d)

3

5.

Een bacterie deelt zich iedere 20 minuten. Ik begin met 20 bacteriën. Hoeveel heb ik er na een uur?

a)

100

b)

80

c)

120

d)

160

6.

Welke afdeling heeft geen wortels, geen bladeren en geen stengels?

a)

Sporenplanten

b)

Bedektzadigen

c)

Mossen

d)

Wieren (algen)

7.

Bij welke afdeling hoort deze plant?

a)

Naaktzadigen

b)

Bedektzadigen

c)

Planten

d)

Zaadplanten

8.
Welke cel heeft geen celkern?
a)
een bacterië 
b)
een schimmel
c)
een plant
d)
een dier
9.
Wat is de functie van de celkern?
a)
geeft volume aan de cel
b)
geeft stevigheid aan de cel 
c)
regelt de gebeurtenissen in de cel 
d)
heeft geen doel
10.
Hoe planten bacteriën zicht voort?
a)
door knopvorming
b)
door deling 
c)
door zaadvorming
d)
met sporedraden
11.
Welke cel is de enige cel zonder celwand en met alleen een celmembraan?
a)
een bacterie
b)
een schimmel
c)
een plant
d)
een dier
12.
Welke functie hebben schimmels en bacteriën allebei?
a)
het vormen van bladgroen
b)
het doorgeven van informatie
c)
het opruimen van dode resten
d)
het vormen van sporen
13.
Welke van onderstaande schimmels kan je NIET eten
a)
schimmelkaas
b)
champignons
c)
broodschimmel 
d)
biergist
14.
Welk voedingsmiddel wordt gemaakt met behulp van schimmels?
a)
brood
b)
eieren
c)
fruitsap
d)
yoghurt
15.
Welk voedingsmiddel wordt gemaakt met behulp van bacteriën?
a)
brood
b)
eieren
c)
fruitsap
d)
yoghurt
16.
Hoe noem je een groep van miljoenen bacteriën bij elkaar?
a)
bacteriekudde
b)
bakteriegroep
c)
bacteriekolonie
d)
bacterienest
17.
Welke ziekte kan je krijgen van schadelijke bacteriën?
a)
griep
b)
cholera
18.
Wat is een andere naam voor het ‘op naam brengen’ van een organisme?
a)
Determineren
b)
Nomenclatuur
c)
Benoemen
d)
Stamboom
19.
Behoren steppezebra's (Equus quagga) en bergzebra's (Equus zebra) tot dezelfde biologische soort?
a)
Ja, want de soortnaam is hetzelfde
b)
Ja, want de familienaam is hetzelfde
c)
Nee, want de soortnaam is anders
d)
Nee, want de familienaam is anders
20.
Bij welke hoofdafdeling hoort de kwal?
a)
Holtedieren
b)
Kwallen
c)
Weekdieren
d)
Sponzen
21.
Hoe noemen we de vier grote groepen van ordenen ook wel?
a)
Stammen
b)
Klassen
c)
Rijken
d)
Domeinen
22.
Op basis van welke kenmerken worden de vier grote groepen ingedeeld?
a)
celkern, cytoplasma, celwand
b)
celkern, cytoplasma, celmembraan
c)
celkern, celwand, bladgroenkorrels
d)
celkern, bladgroenkorrels, cytoplasma
23.
Wat is de juiste volgorde van klein naar groot?
a)
ras - soort - geslacht - familie - orde - klasse - afdeling - rijk
b)
ras - geslacht - soort - familie - orde - klasse - afdeling - rijk
c)
ras - geslacht - soort - orde - familie - klasse - afdeling - rijk
d)
ras - soort - geslacht - orde - familie - klasse - afdeling - rijk
24.
Wat is het verschil tussen zaden en sporen?
a)
Er is geen verschil
b)
Sporen zijn groter dan zaden
c)
Zaden hebben reservevoedsel en sporen niet
d)
Sporen hebben reservevoedsel en zaden niet
25.

In welk antwoord staan 4 levenskenmerken?

a)

Eten, drinken, waarnemen, voortplanten

b)

Ademen, groeien, bewegen, slapen

c)

Drinken, waarnemen, uitscheiden, voortplanten

d)

Uitscheiden, ademen, groeien, bewegen

26.

Wat is een organisme?

a)

Iets wat in de natuur te vinden is

b)

Iets dat niet met het blote oog te zien is

c)

Een ander woord voor cel

d)

Een levend wezen

27.

Wat voor soort cel is te zien op het plaatje?

a)

Dierlijke cel

b)

Plantencel

28.

Wat is cytoplasma?

a)

Dit regelt alles wat er in de cel gebeurt

b)

Een stroperige vloeistof die bestaat uit water en opgeloste stoffen

c)

Een 'blaasje' gevuld met vocht

d)

Het geeft stevigheid aan de cel

29.

Welke celonderdelen heeft een bacterie allemaal? Selecteer ze allemaal!

a)

Celwand

b)

Celkern

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

30.

Wat is antibiotica?

a)

Goedaardige bacteriën in je darmen

b)

Bacteriën die helpen yoghurt en zuurkool te maken

c)

Een medicijn om bacteriën te bestrijden

d)

Een ziekte die veroorzaakt wordt door een bacterie

31.

Wat voor soort cel is dit?

a)

Een dierlijke cel

b)

Een plantencel

c)

Een bacterie

32.

welke van de onderstaande groepen is geen domein?

a)

eukaryoten

b)

bacteriën

c)

Archaea

d)

prokaryoten

33.

welke van de onderstaande celkenmerken wordt niet gebruikt bij ordening?

a)

celkernen

b)

celwanden

c)

bladgroenkorrels

d)

celmembraan

34.

een duitse dog en een teckel behoren tot dezelfde ... ?

a)

soort

b)

ras

35.

een schimmel heeft geen ...? c

a)

celkern

b)

celwand

c)

bladgroenkorrels

d)

cytoplasma

36.

Een dierlijke cel heeft geen ...?

a)

celkern

b)

celwand

c)

cytoplasma

d)

celmembraan

37.

2 dieren behoren tot dezelfde soort als ze ...?

a)

op elkaar lijken

b)

hetzelfde gedrag vertonen

c)

nakomelingen kunnen krijgen

d)

vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen

38.

Een ezel en een paard behoren tot dezelfde soort omdat zij samen nakomelingen kunnen krijgen (een muildier)

a)

waar

b)

niet waar

39.

varens planten zich voort door middel van ...?

a)

zaden

b)

sporenhoopjes

c)

sporendoosjes

d)

sporenvormende orgaantjes

40.

een mens heeft een ... skelet

a)

inwendig

b)

uitwendig

c)

geen

41.

BS1. Hoe noemen we de vier grote groepen van ordenen ook wel?

a)

Stammen

b)

Domeinen

c)

Rijken

d)

Klassen

42.

BS 3. Gisten bestaan uit schimmeldraden.

Juist of Onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

43.

BS 4. Bij welke afdeling komen planten voor met orgaantjes zoals op het plaatje?

a)

Algen

b)

Sporenplanten

c)

Zaadplanten

d)

Anders

44.

BS 1/2. Bacteriën zijn meercellig.

Juist of Onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

45.

BS 2.

*Twan zegt, dat sommige bacterien voedsel kunnen afbreken en dat ze zich voortplanten d.m.v. deling.

*Jan zegt dat bacterien een celkern hebben.

Wie heeft er gelijk?

a)

Beide gelijk

b)

Beide ongelijk

c)

Twan heeft gelijk

d)

Jan heeft gelijk

46.

Welk dier hoort bij de geleedpotigen?

a)
b)
c)
d)
47.

BS 1. Op basis van welke kenmerken worden de vier grote groepen ingedeeld?

a)

celkern, cytoplasma, celmembraan

b)

celkern, cytoplasma, celwand

c)

celkern, celwand, bladgroenkorrels

d)

celkern, bladgroenkorrels, cytoplasma

48.

BS 1. Welke cel heeft geen celkern?

a)

Bacteriecel

b)

Plantencel

c)

Dierencel

d)

Schimmelcel

49.

BS 1. Welke cel is de enige cel zonder celwand en met alleen een celmembraan?

a)

Dierencel

b)

Plantencel

c)

Schimmelcel

d)

Bacteriecel

50.

BS 2/3. Welke functie hebben schimmels en bacteriën allebei?

a)

het vormen van bladgroen

b)

het vormen van sporen

c)

het opruimen van dode resten

d)

het doorgeven van informatie

51.

BS 2. Hoe planten bacteriën zicht voort?

a)

Deling

b)

Sporen

c)

Zaadvorming

d)

Knopvorming

52.

BS 1. Welke onderdelen komen voor bij plantencellen en niet bij schimmelcellen?

a)

Vacuoles

b)

Bladgroenkorrels

c)

Celkernen

d)

Celwanden

53.

BS 1. Organismen behoren tot dezelfde soort als ze vruchtbare nakomelingen kunnen voortbrengen.

Juist of Onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

54.

BS 2. Een bacteriële infectieziekte kan worden bestreden met antibiotica.

Juist of Onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

55.

BS 3. Gisten bestaan uit schimmeldraden.

Juist of Onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

56.

BS 4. Bij welke afdeling hoort dit?

- wel wortels

- wel stengels

- wel bladeren

- geen bloemen

a)

Algen

b)

Zaadplanten

c)

Sporenplanten

d)

Geen van allen

57.

BS 4. Bij welke afdeling komen planten voor met orgaantjes zoals op het plaatje?

a)

Algen

b)

Sporenplanten

c)

Zaadplanten

d)

Anders

58.

BS 1/2. Bacteriën zijn meercellig.

Juist of Onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

59.

BS 3. Bij welke van onderstaande voedingsmiddelen spelen schimmels een rol?

a)

Brie-kaas

b)

Bier

c)

Yoghurt

d)

Champignon

e)

Zuurkool