wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Trappen van vergelijking Frans Gola

Total questions: 24

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Een bijvoeglijk naamwoord

a)

zegt iets over een bijwoord

b)

zegt iets over een delend lidwoord

c)

zegt iets over een zelfstandig naamwoord

d)

zegt iets over een bijwoordelijke bepaling van tijd

2.

Het oude boek

a)

le livre vileiiles

b)

Le vieux livre

c)

Le vieille livre

d)

le vieil livre

3.

Een bijwoord zegt iets over

a)

een zelfstandig naamwoord, een bijvoeglijk naamwoord, een ander bijwoord of een hele zin

b)

een werkwoord, een zelfstandig naamwoord, een ander bijwoord of een hele zin

c)

een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord, een zelfstandig naamwoord of een hele zin

d)

een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord, een ander bijwoord of een hele zin

4.

De auto rijdt snel

a)

La voiture roule rapide

b)

La voiture roule rapidement

c)

La voiture rapide roule

d)

La voiture rapidement roule

5.

De vergrotende trap noem je in het Frans

a)

comparatif

b)

superlatif

c)

adjectif

d)

adverbe

6.

De vergrotende trap maak je door … voor een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord te zetten.

a)

que

b)

plus

c)

le/ la / l'/ les

d)

du, de la, de l'/ des

7.

Lara is groot Mélinda is groter.

a)

Lara est grande. Mélinda est grande.

b)

Lara est grande. Mélinda plus est grande.

c)

Lara est grande. Mélinda est grande plus.

d)

Lara est grande. Mélinda est plus grande.

8.

Als je de vergelijking maakt met iets of iemand, dan gebruik je ...

a)

qui

b)

parce que

c)

car

d)

que

9.

Karim is sterker dan Yannick

a)

Karim est plus fort Yannick

b)

Karim est plus que Yannick

c)

Karim est plus fort que Yannick

d)

Karim est fort que Yannick

10.

De overtreffende trap van een bijvoeglijk naamwoord maak je met … voor de vergrotende trap.

a)

de la, du, des

b)

que

c)

qui

d)

le, la, les

11.

Anita is het aardigst

a)

Anita est le gentil

b)

Anita est plus gentil

c)

Anita est le plus gentil

d)

Anita est la plus gentille

12.

De overtreffende trap van een bijwoord maak je met … voor de vergrotende trap

a)

le

b)

la

c)

l'

d)

les

13.

Marianne rijdt het langzaamst.

a)

Marianne roule le plus lentement.

b)

Marianne roule la plus lentement.

c)

Marianne roule les plus lentement.

d)

Marianne roule l' plus lentement.

14.

De plaats van de vergrotende en overtreffende trap is vergelijkbaar met die van ...

a)

het meewerkend voorwerp

b)

het onderwerp

c)

het lijdend voorwerp

d)

het bijvoeglijk naamwoord

15.

Le garçon le plus sympa achète la plus belle photo

a)

juist

b)

onjuist

16.

Het bijvoeglijk naamwoord goed vertaal je met

a)

bon

b)

bien

17.

Een goed voorbeeld

a)

Un bon exemple est important.

b)

Un bien exemple est important.

18.

Het bijwoord goed vertaal je met

a)

bon

b)

bien

19.

Ik rijd goed.

a)

Je conduis bon.

b)

Je conduis bien.

20.

De vergrotende trap van het bijvoeglijk naamwoord bon kan ook vrouwelijk zijn of meervoud.

a)

waar

b)

niet waar

21.

Een goede vriendin

a)

Un bon amie.

b)

Un bone amie.

c)

Un bonne amie.

22.

De vergrotende trap van het bijwoord bien kan ook vrouwelijk zijn of meervoud.

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

Il conduit bien. Elle conduit aussi bien. Kim conduit mieux.

a)

Correct

b)

Niet correct

24.

Je kunt ook andere vergelijkingen maken met een bijvoeglijk naamwoord of bijwoord. Voorbeelden hiervan zijn:

a)

aussi bon que

b)

moins grande que

c)

le moins connu

d)

aussi mal que

e)

autant que