wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Criminaliteit Basis en Kader

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Wat is materiële schade?

a)

Schade die je kunt berekenen in geld

b)

gevolgen die niet in geld zijn uit te drukken

2.

Een voorbeeld van niet-materiële schade is:

a)

’s avonds niet alleen over straat durven.

b)

een beschadigde fiets.

c)

een opengebroken auto.

3.

Stel, je bent overvallen en je durft niet goed meer alleen over straat te gaan. Dat is een voorbeeld van:

a)

materiële schade

b)

asociaal gedrag.

c)

niet-materiële schade

4.

Slecht slapen na een inbraak in jouw huis is niet-materiële schade

a)

juist

b)

onjuist

5.

De officier van justitie is belangrijk, want hij/zij:

a)

bepaalt of een verdachte voor de rechter moet komen

b)

mag een verdachte gevangenisstraf geven

6.

Als je meewerkt met Halt

a)

schrijft Halt een proces-verbaal.

b)

komt er geen rechtszaak.

7.

De politie stuurt iedere verdachte naar Halt.

a)

juist

b)

onjuist

8.

Als de politie je ……………………, moet je mee naar het politiebureau.

a)

fouilleert

b)

arresteert

9.

Een proces-verbaal is een verslag over:

a)

de straf die een verdachte krijgt.

b)

het misdrijf en de verdachte.

10.

De officier van justitie mag een boete geven.

a)

juist

b)

onjuist

11.

De politie kan beslissen dat een verdachte voor de rechter moet komen.

a)

juist

b)

onjuist

12.

De officier van justitie bepaalt of een verdachte schuldig is.

a)

juist

b)

onjuist

13.

De officier van justitie geeft vaak een gevangenisstraf.

a)

onjuist

b)

juist

14.

Fouilleren is

a)

is het doorzoeken van iemands kleren of zakken

b)

is het arresteren van iemand die een licht misdrijf begaat

15.

Als de politie denkt dat je iets strafbaars hebt gedaan, ben je een crimineel.

a)

juist

b)

onjuist

16.

Als je niet stopt bij een rood stoplicht, is dat een

a)

overtreding

b)

misdrijf

17.
Welke van de onderstaande bewering en zijn juist?
a)
66%van de gevangen in Nederland zijn mannen 
b)
77% van de gevangen in Nederland zijn mannen
c)
85% van de gevangen in Nederland zijn mannen
d)
93% van de gevangen in Nederland zijn mannen
18.
Als je een overtreding pleegt krijg je meestal ... 
a)
een gevangenisstraf
b)
een boete 
c)
een strafblad 
19.

wildplassen is een overtreding

a)

juist

b)

onjuist

20.

niet opstaan voor een oudere dame in de bus is een voorbeeld van

a)

een overtreding

b)

asociaal gedrag

c)

een misdrijf

21.

Als je een blikje cola steelt:

a)

kom je nooit voor de rechter

b)

pleeg je een misdrijf.

22.

Je fietst naar school en je hebt je identiteitskaart niet bij.

a)

overtreding

b)

misdrijf

23.

Je koopt een gestolen fiets

a)

misdrijf

b)

overtreding

24.

boeren is een voorbeeld van

a)

asociaal gedrag

b)

misdrijf

c)

overtreding

25.

Strafbaar gedrag houdt in dat je wetsregels overtreedt.

a)

juist

b)

onjuist

26.
Criminaliteit is tijdgebonden. Een voorbeeld hiervan is: 
a)
Dat je snel moet zijn anders word je gepakt
b)
Dat mensen die zich vervelen eerder crimineel worden
c)
Dat homoseksualiteit vroeger strafbaar was en nu niet meer
d)
Dat het veel tijd kost om misdrijven op te lossen
27.
Een strafblad ... 
a)
houd je je hele leven
b)
levert problemen op bij het zoeken van een baan of stage
c)
heeft iedereen
d)
krijg je alleen als bij zware criminaliteit 
28.

Als je geen rekening houdt met anderen, ben je..

a)

Sociaal

b)

Asociaal

29.

Strafbare feiten die minder erg zijn, noemen we..

a)

Overtredingen

b)

Misdrijven

30.

Strafbare feiten die ernstig zijn, noemen we..

a)

Overtredingen

b)

Misdrijven

31.

Wat is WAAR over criminaliteit. Let op: meerdere antwoorden kunnen goed zijn.

a)

Criminaliteit is tijdgebonden

b)

Criminaliteit is plaatsgebonden

c)

Criminaliteit is altijd zichtbaar

32.
Bij welk van de onderstaande voorbeelden gaat het om een wetsregel?
a)
In de bus sta je op voor een zwangere vrouw.

b)
Bij het concert sluit je achteraan in de rij.

c)
Je bedankt de leraar na de les.

d)
Je gaat naar school.
33.
Wie is er niet bij een rechtszaak betrokken? 
a)
Getuige.
b)
Minister van Justitie.
c)
Advocaat.
d)
Rechter.
34.
De officier van justitie zal een zaak seponeren als: 
a)
de verdachte ontkent.
b)
de verdachte meteen het misdrijf bekent.
c)
de politie te weinig bewijzen heeft.
d)
de verdachte liever niet vervolgd wil worden.
35.
Crimineel gedrag is gedrag waarmee de wet wordt overtreden.
a)
Juist
b)
Onjuist
36.

Welke drie dingen kan de officier van justitie met de zaak doen? (meerdere antwoorden zijn goed)

a)

Niets met de zaak doen (seponeren)

b)

De zaak naar de rechter brengen (vervolgen)

c)

Een deal met de verdachten maken (schikken)

d)

Een gevangenisstraf geven aan de verdachte (straffen)

37.

Welke waarden hebben met criminaliteit te maken? (meerdere antwoorden goed)

a)

Veiligheid

b)

Vrijheid

c)

Gelijkheid

d)

Gezondheid

38.

In de rechtbank kan de officier van justitie de verdachte straffen

a)

Juist

b)

Onjuist

39.

Een TBS straf duurt maximaal 1 jaar

a)

Juist

b)

Onjuist

40.

Een verschil tussen een overtreding en een misdrijf is dat je bij een overtreding nooit naar de rechter hoeft.

a)

Juist

b)

Onjuist