wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Het Nationaal Geld examen

Total questions: 35

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Bart werkt bij een baas. Hij heeft verschillende inkomsten door zijn werk.

Welke van de volgende inkomsten is loon in natura?

a)
Reiskostenvergoeding
b)
Gratis koffie en thee in de kantine
c)

Zijn maandloon

d)
Vakantiegeld
2.

Klaas heeft een caravan. Hij laat deze ook door anderen gebruiken. Het geld dat hij daarvoor krijgt, zet hij op een spaarrekening.

Welke 2 inkomsten uit bezit heeft hij?

a)
Huur en pacht
b)
Huur en winst
c)
Huur en rente
d)
Pacht en rente
3.
Dianne heeft € 1.500,- op haar spaarrekening staan. Het rentepercentage is 3% per jaar. Hoeveel rente krijgt ze na 1 jaar van de bank? 
a)
€ 15,=
b)
€ 30,=
c)
€ 45,=
d)
€ 60,=
4.

Salaris is het bijhouden van je inkomsten/uitgaven.

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Vaste lasten is een vorm van inkomsten.

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Je koopt een nieuwe jas, welke betalingsvorm is het meest geschikt?

a)

Contact

b)

Creditcard

c)

Pinpas

d)

Chipknip

7.

Wat is een nadeel van reclame?

a)

Je weet wat je koopt

b)

Je ziet de aanbieding

c)

De slechte dingen worden niet genoemd

8.

Voor een garantiebewijs moet je extra betalen in de winkel.

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

Je boodschappen kosten totaal € 4,79. Je betaalt met contant geld. Hoeveel moet je betalen? Rond af op 0 of 5 cent.

a)

€ 4,80

b)

€ 4,75

c)

€ 4,79

d)

€ 5,00

10.

Je boodschappen kosten totaal € 7,24. Je betaalt met contant geld. Hoeveel moet je betalen? Rond af op 0 of 5 cent.

a)

€ 7,20

b)

€ 7,00

c)

€ 7,25

d)

€ 7,23

11.

Je boodschappen kosten totaal € 8,02. Je betaalt met contant geld. Hoeveel moet je betalen? Rond af op 0 of 5 cent.

a)

€ 8,05

b)

€ 8,00

c)

€ 8,03

d)

€ 9,00

12.

Je boodschappen kosten totaal € 7,84. Je betaalt met contant geld. Hoeveel moet je betalen? Rond af op 0 of 5 cent.

a)

€ 7,80

b)

€ 8,00

c)

€ 7,83

d)

€ 7,85

13.

Je ziet op internet dat een PlayBox ™ € 399 kost bij Pluto en € 380 bij Slank.com. Geld is hier een…

a)

spaarmiddel

b)

ruilmiddel

c)

middel

d)

rekenmiddel

14.

Geld in je portemonnee, dus bankbiljetten en muntjes, noem je…

a)

giraal geld

b)

electronisch geld

c)

chartaal geld

d)

geld

15.
Waar kan je met de Euro betalen ?
A: In alle landen van Europa
B In alle landen van de Eurozone
a)
A is waar
b)
B is Waar
c)
A en B zijn waar
d)
Geen van beide zijn waar
16.
Wat is het verschil tussen chartaal en giraal ge
a)
Chartaal geld kan je beetpakken, giraal niet
b)
Giraal geld is contant geld
c)
Giraal geld kan je beetpakken, chartaal niet
d)
Chartaal geld staat op je creditkaart
17.
Je kan van chartaal geld giraal geld maken door ......
a)
te betalen met je pinpas
b)
Geld op te nemen bij een bankautomaat
c)
Geld te storten bij een bankautomaat
d)
betalen met je creditcard
18.
Wanneer is er sprake van een indirecte ruil ?
a)
Jansen ruilt kippen voor brood
b)
Jansen koopt kippen voor brood
c)
Jansen koopt brood van de bakker
d)
Jansen koopt brood voor kippen
19.
Wanneer is er sprake van een indirecte ruil ?
a)
Jansen ruilt kippen voor brood
b)
Jansen koopt kippen voor brood
c)
Jansen koopt brood van de bakker
d)
Jansen koopt brood voor kippen
20.
Wat zijn de drie geldfuncties
a)
Ruilmiddel, telmiddel en spaarmiddel
b)
Ruilmiddel, rekenmiddel en spaarmiddel
c)
Spaarmiddel, rekenmiddel en betaalmiddel
d)
Spaarmiddel, telmiddel en betaalmiddel
21.
Alles over inkomsten en uitgaven bewaar je in ...
a)
De administratie
b)
Financieel
c)
De portemonee
d)
De rekening
22.
Geld bewaren voor later
a)
Sparen
b)
Rekening
c)
Administratie
d)
Financieel
23.

Ik koop nieuwe kleding Dit zijn ..

a)

Inkomsten

b)

Uitgaven

c)

geen van bovenstaande

24.
Mijn salaris krijg ik elke maand.
a)
Inkomsten
b)
Uitgaven
25.

je ziet hier een afbeelding van chartaal geld

a)

waar

b)

niet waar

26.

een autootje voor een girafje is een voorbeeld van:

a)

directe ruil

b)

indirecte ruil

c)

goederenruil

27.

Op maandag begin je met 20 euro. Je pint 2 keer 10 euro en je moeder maakt je zakgeld van 15 euro over. Wat is je eindsaldo eind deze week?

a)

35 euro

b)

15 euro

c)

5 euro

d)

45 euro

28.

Wat is het goedkoopste artikel?

a)
b)
29.

Wat is het duurste artikel?

a)
b)
30.

Welk artikel is het goedkoopst?

a)
b)
c)
d)
31.

Je ruilt een goed of dienst tegen iets anders zonder geld te gebruiken.

a)

directe ruil

b)

indirecte ruil

32.

Ruil waarbij je geld als ruilmiddel gebruikt. Je koopt dus iets.

a)

directe ruil

b)

indirecte ruil

33.

Het bedrag dat op je bankrekening staat.

a)

rekening

b)

saldo

c)

bank

d)

lening

34.

Betalen via internet, met je bankpas of met je telefoon.

a)

pinnen

b)

electronisch betalen

c)

contant betalen

d)

contactloos betalen

35.

Tastbaar geld in de vorm van munten en bankbiljetten.

a)

giraal geld

b)

chartaal geld

c)

kleingeld

d)

wisselgeld