wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordjes 3m H1 en H2

Total questions: 30

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een woordraadstrategie?

a)

Een manier om achter de betekenis van een woord te komen

b)

Een manier om te weten te komen wat synoniemen zijn

c)

Een manier om sneller in een woordenboek te zoeken

d)

Geen van alle

2.

Twee verschillende woorden met dezelfde betekenis noemen we:

a)

synoniemen

b)

tegenstellingen

c)

voorbeelden

d)

woordraadstrategie

3.

Wat betekent 'op het matje komen'?

a)

zich melden (je hebt iets fout gedaan)

b)

beschouwen

c)

je moet naar de voordeur komen

d)

je moet je voeten vegen

4.

Wat is een synoniem van helpen?

a)

ondersteunen

b)

amper

c)

minstens

d)

woordblindheid

5.

Wat betekent dyslexie?

a)

woordblindheid

b)

cijferblindheid

c)

woordverduidelijking

d)

woordraadstrategie

6.

Als je iemand 'stimuleert', dan ...

a)

motiveer je iemand

b)

haal je iemand naar beneden

c)

ben je negatief over iemand

d)

duw je iemand naar voren

7.

Wat is een verslaggever?

a)

een journalist / reporter

b)

presentator

c)

een docent

d)

iemand die verslagen schrijft voor een bedrijf

8.

Als iets 'nagenoeg' klaar is, dan ...

a)

is iets helemaal klaar

b)

is iets bijna klaar

c)

is iets nog lang niet klaar

d)

is er nog niet begonnen aan iets

9.

Wat zijn andere woorden voor respect?

a)

eerbied, ontzag

b)

regio

c)

onderscheiden

d)

bereid zijn om

10.

Een regio is ...

a)

een gebied of streek

b)

ruimte in een huis

c)

ruimte in je eigen omgeving

d)

een gebied

11.

Als iets 'met spoed' moet gebeuren, dan ...

a)

kan heeft het geen haast

b)

heeft het erg veel haast

12.

Als je 'naar raming/ongeveer' 10 euro moet betalen, dan ...

a)

betaal je 'naar schatting' 10 euro

b)

betaal je 'iets meer dan' 10 euro

c)

betaal je 'precies' 10 euro

d)

betaal je 'lang niet zoveel als' 10 euro

13.

De leraren 'staken', dus de leraren ...

a)

houden ergens mee op

b)

continueren hun werk

c)

gaan door met hun werk

14.

Je moet 'op zijn minst' een 8 halen voor de toets, dus ...

a)

je moet 'minstens' een 8 halen

b)

je moet 'maximaal' een 8 halen

c)

je moet 'geen' 8 halen

d)

je moet 'alleen maar' een 8 halen

15.

Sommige leerlingen zijn 'aan het duimen draaien', dus ...

a)

sommige leerlingen doen niets

b)

sommige leerlingen werken keihard

c)

sommige leerlingen spelen met hun duimen

d)

sommige leerlingen stellen veel vragen

16.

Wat is figuurlijk taalgebruik?

a)

Woorden/zinnen die iets anders betekenen dan je eigenlijk denkt

b)

Woorden/zinnen die precies betekenen wat je denkt

c)

Woorden/zinnen die letterlijk betekenen wat er bedoeld wordt

d)

Woorden/zinnen die je een figuur laten zien

17.

Spreekwoorden en uitdrukkingen zijn:

a)

letterlijk bedoeld

b)

figuurlijk bedoeld

18.

'De appel valt niet ver van de boom' is:

a)

letterlijk bedoeld

b)

figuurlijk bedoeld

c)

kan beide

d)

kan beid niet

19.

Welke uitspraak is figuurlijk bedoeld?

a)

Er kwam niemand naar tennis

b)

Er kwam geen kip naar tennis

20.

Als je met iemand 'samen door een deur kunt', dan ...

a)

pas je net samen tegelijk door het gat van de deur

b)

kun je het goed met elkaar vinden

c)

is de ene dikker dan de ander

d)

zijn ze beiden te dik om samen door de deur te gaan

21.

Wat betekent 'hilarisch'?

a)

heel erg grappig

b)

heel erg gemeen

c)

heel erg flauw

d)

heel erg kwetsend

22.

Als je 'bekakt' bent, dan ben je ...

a)

erg deftig

b)

in je broek aan het schijten

c)

in je broek aan het plassen

d)

erg arrogant

23.

Als de kerstboom 'sober' versierd is, dan ...

a)

hangt er weinig versiering in

b)

hangt er veel versiering in

24.

Wat is een ander woord voor 'omgangsvormen'?

a)

etiquette

b)

houvast

c)

weelderig

d)

elites

25.

Wat betekent 'steun'?

a)

houvast

b)

weelderig

c)

sober

d)

weemoed

26.

Als je iemand met iets confronteert, dan ...

a)

laat je iemand iets zien wat misschien pijnlijk kan zijn

b)

sla je iemand, zodat hij/zij terugkomt in de realiteit

c)

zeg je niet wat je echt denkt, maar je houdt het voor je

d)

geen van alle

27.

Wat is een traditie?

a)

een gewoonte, een gebruik

b)

iets duidelijk maken

c)

een missie

d)

schalks

28.

Als je vraagt: 'Hoe hangt de vlag erbij?' dan ...

a)

vraag je of de vlag hoog of laag hangt

b)

vraag je hoe het gaat

c)

vraag je of diegene wil praten over zijn problemen

d)

geen van alle

29.

Ik heb mijn schaapjes op het droge, dus ...

a)

ik heb genoeg geld verdiend

b)

mijn schapen krijgen geen natte pootjes

c)

ik run mijn boerderij op een goede manier

d)

ik heb te weinig geld; mijn rekening staat droog

30.

'Doen alsof je neus bloedt' betekent ...

a)

doen alsof je er alles vanaf weet

b)

doen alsof je er niets vanaf weet

c)

doen alsof je neus aan het bloeden is

d)

geen van alle