Font size
WorksheetsWerkwoordspelling tegenwoordige tijd PV TT/INF/GW
Total questions: 25
Worksheet time: 9mins
Het ........... (worden) heel koud deze week.
word
wordt
Elke nacht ......... (vriezen) het heel hard.
vriest
vriezen
vries
Mijn beste vriend en ik ......... (willen) heel graag weer gaan schaatsen.
wil
wilt
willen
Mijn vader .......... (roken) een stuk minder nu het zo koud is.
rook
rookt
roken
Daarom .......... (kiezen, ev.) zij ervoor om het alleen te doen.
kiest
kies
kiezen
We ............... (vullen) de test in voor onze docent.
vul
vult
vullen
.......... (worden) je vriend ook zo aanhankelijk na een tijdje?
word
wordt
worden
De docent ............... (achten) ons in staat om de opdracht te maken.
acht
achtt
achten
Morgen ................ (beantwoorden) zij de compliceerde e-mail.
beantwoord
beantwoordt
beantwoorden
De leerling .......... (bieden) aan om het dagje uit te organiseren.
bied
biedt
bieden
Hij ............ (delegeren) de taak aan zijn assistent.
delegeer
delegeert
degelert
delegeren
De vereniging ............. (promoten) voor het nieuwe jeugdstuk door posters op te hangen en te flyeren.
promoot
promot
promoten
Na een lange dag vergaderen .............. (verwelkomen) de butler hen thuis.
verwelkom
verwelkoom
verwelkomt
verwelkoomt
De soldaten van de graaf .......... (plunderen) het kleine dorpje.
plunder
plundert
plunderen
Waarom ........... (dagen) jij hem uit?
daag
daagt
dagen
Geef aan welke vorm het onderstreepte werkwoord is:
Hij heeft jou laten gaan.
persoonsvorm
infinitief
voltooid deelwoord
Geef aan welke vorm het onderstreepte werkwoord is:
Het is nu eenmaal gebeurd.
persoonsvorm
infinitief
voltooid deelwoord
Geef aan welke vorm het onderstreepte werkwoord is:
Sophie heeft haar moeder opgebeld.
persoonsvorm
infinitief
voltooid deelwoord
Geef aan welke vorm het onderstreepte werkwoord is:
Haar moeder belooft voor haar te zullen zorgen.
persoonsvorm
infinitief
voltooid deelwoord
Geef aan welke vorm het onderstreepte werkwoord is:
Ik zal je die nieuwe app laten zien.
persoonsvorm
infinitief
voltooid deelwoord
........... (Zijn) nou toch verstandig!
Wees
Ben
Is
Bent
........... (Geven) mij jouw boek eens.
Geef
Geeft
Geven
............. (Schudden) je kussens eens op.
Schud
Schudt
Schudden
Sander, ............. (kopen) drie appels en een pak melk bij de supermarkt.
koop
koopt
kopen
.................. (Luisteren) nu goed naar mij.
Luister
Luistert
Luisteren
