wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling tegenwoordige tijd PV TT/INF/GW

Total questions: 25

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Het ........... (worden) heel koud deze week.

a)

word

b)

wordt

2.

Elke nacht ......... (vriezen) het heel hard.

a)

vriest

b)

vriezen

c)

vries

3.

Mijn beste vriend en ik ......... (willen) heel graag weer gaan schaatsen.

a)

wil

b)

wilt

c)

willen

4.

Mijn vader .......... (roken) een stuk minder nu het zo koud is.

a)

rook

b)

rookt

c)

roken

5.

Daarom .......... (kiezen, ev.) zij ervoor om het alleen te doen.

a)

kiest

b)

kies

c)

kiezen

6.

We ............... (vullen) de test in voor onze docent.

a)

vul

b)

vult

c)

vullen

7.

.......... (worden) je vriend ook zo aanhankelijk na een tijdje?

a)

word

b)

wordt

c)

worden

8.

De docent ............... (achten) ons in staat om de opdracht te maken.

a)

acht

b)

achtt

c)

achten

9.

Morgen ................ (beantwoorden) zij de compliceerde e-mail.

a)

beantwoord

b)

beantwoordt

c)

beantwoorden

10.

De leerling .......... (bieden) aan om het dagje uit te organiseren.

a)

bied

b)

biedt

c)

bieden

11.

Hij ............ (delegeren) de taak aan zijn assistent.

a)

delegeer

b)

delegeert

c)

degelert

d)

delegeren

12.

De vereniging ............. (promoten) voor het nieuwe jeugdstuk door posters op te hangen en te flyeren.

a)

promoot

b)

promot

c)

promoten

13.

Na een lange dag vergaderen .............. (verwelkomen) de butler hen thuis.

a)

verwelkom

b)

verwelkoom

c)

verwelkomt

d)

verwelkoomt

14.

De soldaten van de graaf .......... (plunderen) het kleine dorpje.

a)

plunder

b)

plundert

c)

plunderen

15.

Waarom ........... (dagen) jij hem uit?

a)

daag

b)

daagt

c)

dagen

16.

Geef aan welke vorm het onderstreepte werkwoord is:

Hij heeft jou laten gaan.

a)

persoonsvorm

b)

infinitief

c)

voltooid deelwoord

17.

Geef aan welke vorm het onderstreepte werkwoord is:

Het is nu eenmaal gebeurd.

a)

persoonsvorm

b)

infinitief

c)

voltooid deelwoord

18.

Geef aan welke vorm het onderstreepte werkwoord is:

Sophie heeft haar moeder opgebeld.

a)

persoonsvorm

b)

infinitief

c)

voltooid deelwoord

19.

Geef aan welke vorm het onderstreepte werkwoord is:

Haar moeder belooft voor haar te zullen zorgen.

a)

persoonsvorm

b)

infinitief

c)

voltooid deelwoord

20.

Geef aan welke vorm het onderstreepte werkwoord is:

Ik zal je die nieuwe app laten zien.

a)

persoonsvorm

b)

infinitief

c)

voltooid deelwoord

21.

........... (Zijn) nou toch verstandig!

a)

Wees

b)

Ben

c)

Is

d)

Bent

22.

........... (Geven) mij jouw boek eens.

a)

Geef

b)

Geeft

c)

Geven

23.

............. (Schudden) je kussens eens op.

a)

Schud

b)

Schudt

c)

Schudden

24.

Sander, ............. (kopen) drie appels en een pak melk bij de supermarkt.

a)

koop

b)

koopt

c)

kopen

25.

.................. (Luisteren) nu goed naar mij.

a)

Luister

b)

Luistert

c)

Luisteren