wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

HV1: T2, Organen en cellen

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Lange dunne draden die in de celkern liggen

a)

celdraden

b)

chromosomen

c)

genen

d)

basenparen

2.

Lichaamscellen van de mens bevatten hoeveel chromosomen?

a)

23

b)

46

c)

92

d)

12

3.

Tijdens welke fase van de celcyclus zijn de chromosomen met een microscoop zichtbaar?

a)

het leven van de cel

b)

bij plasmagroei

c)

celdeling

d)

specialisatie

4.

Welke combinatie basenparen is juist?

a)

A-G

b)

A-T

c)

T-C

d)

A-C

5.

Welke combinatie basenparen is juist?

a)

T-G

b)

C-T

c)

C-G

d)

A-C

6.

Wat is een basenpaar?

a)

Een streng van de 'wenteltrap'

b)

dat bepaalt bv de kleur van je ogen

c)

een trede van de 'wenteltrap'

d)

deze zorgen ervoor dat je chromosomen soms met een microscoop zichtbaar zijn

7.

Wat zijn voorbeelden van erfelijke eigenschappen (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

oogkleur

b)

dat groen je lievelingskleur is

c)

dat je graag appels eet

d)

lengte

e)

dat je heel hoog kunt springen

8.

Hoe noemen we de basenparen die samen nodig zijn voor een of meer eigenschappen

a)

gen

b)

chromosoom

c)

A, G, T of C

d)

DNA

9.

Een cel met een bepaalde functie, noem je een

a)

moedercel

b)

dochtercel

c)

gespecialiseerde cel

d)

stamcel

10.

Hoe noemen we het proces waarbij dochtercellen net zo groot worden als de moedercel?

a)

groei

b)

ontwikkeling

c)

specialisatie

d)

plasmagroei

11.

Een weefsel is een

a)

Groep cellen dat bij elkaar ligt

b)

Groep cellen met dezelfde vorm

c)

Groep cellen met dezelfde functie

d)

Groep cellen met dezelfde vorm en functie

12.

Omdat het in de zomer erg warm is groeit een boom snel en zijn de houtcellen groot en licht van kleur

a)

juist

b)

onjuist

13.

Het weefsel dat nieuw hout vormt noemen we

a)

jaarring

b)

de schors

c)

cambium

d)

houtstof

14.

De celkern is aangegeven met

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

7

15.

Het celmembraan is aangegeven met

a)

1

b)

3

c)

5

d)

6

e)

7

16.

De celwand is aangegeven met

a)

1

b)

3

c)

5

d)

6

e)

7

17.

Korrels met een speciale functie in het cytoplasma van een plantaardige cel noemen we

a)

plastiden

b)

cytoplasma

c)

vacuole

d)

groenkorrel

18.

Voorbeelden van plastiden zijn (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

bladgroenkorrels

b)

cytoplasma

c)

zetmeelkorrels

d)

zoutkorrels

e)

kleurstofkorrels

19.

Dit onderdeel van een plantaardige cel zorgt o.a. voor opslag van stoffen

a)

celkern

b)

bladgroenkorrel

c)

vacuole

d)

cytoplasma

20.

Plantaardige cellen hebben een celmembraan en dierlijke cellen niet

a)

juist

b)

onjuist

21.

De volgende delen heeft een plantaardige cel wel en een dierlijke cel niet (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

celwand

b)

celkern

c)

vacuole

d)

kleurstofkorrels

22.

deel van een organisme dat een bepaalde taak uitvoert

a)

orgaanstelsel

b)

orgaan

c)

weefsel

d)

cel

23.

groep van samenwerkende organen die gezamenlijk een bepaalde functie hebben

a)

orgaanstelsel

b)

orgaan

c)

weefsel

d)

cel

24.

materiaal in een blad dat tussen de nerven ligt

a)

bladschijf

b)

bladmoes

c)

fotosynthesemateriaal

d)

bladstelsel

25.

dunne uitstulpingen aan de uiteinden van wortels

a)

zijwortels

b)

knollen

c)

haarwortels

d)

pluis

26.

deel van de plant tussen de wortels en de bladeren

a)

steel

b)

stengel

c)

vaatbundel

d)

houtstof

27.

structuren in een blad die zorgen voor stevigheid en transport van water en andere stoffen

a)

bladsteel

b)

nerven

c)

houtstof

d)

vaatbundel

28.

lange dunne buisjes in de stengel van een plant die water, mineralen en glucose transporteren

a)

nerven

b)

plantbuisjes

c)

vaten

d)

zenuwen

29.

kleine openingen in een blad van een plant, die koolstofdioxide opnemen uit de lucht en zuurstof afgeven

a)

huidmondjes

b)

bladmondjes

c)

huidlippen

d)

bladlippen

30.

bouwstenen van organismen

a)

weefsel

b)

organen

c)

organismeblokjes

d)

cellen