wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets Thema 2 Bewegen - kader 3

Total questions: 30

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Hoe noemt dit deel van het skelet?

a)

Ellepijp

b)

Vingerkootje

c)

Middenhandsbeentje

d)

Handwortelbeentje

2.

Welke is GEEN functie van het skelet?

a)

Het houdt ons recht.

b)

Het beschermt een deel van onze organen.

c)

Het beschermt ons tegen bacteriën.

d)

Het vormt ons lichaam.

3.

In het onderste deel van het been zitten 2 botten. Welke is het dunste?

a)

Kuitbeen

b)

Scheenbeen

4.

Welk hard bolletje kan je voelen net boven je bilspleet?

a)

Heiligbeen

b)

Staartbeen

c)

Heupbeen

5.

Hoeveel handwortelbeentjes heb je per hand?

a)

2

b)

4

c)

8

6.
De tussenwervelschijf tussen twee wervels is een voorbeeld van een 
a)
naadverbinding
b)
gewrichtsverbinding
c)
kraakbeenverbinding
d)
wervelverbinding
7.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje? (het is de schouder)
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
d)
naadverbinding
8.
In de neus vind je kraakbeen
a)
Juist
b)
onjuist
9.

Welke stof zit vooral in kraakbeen?

a)

kalk

b)

lijmstof

c)

zoutzuur

d)

brandstof

10.
Wat is je borstkas
a)
ribben + been + schedel
b)
borstbeen + been + ribben
c)
ribben + borstwervels + borstbeen
d)
borstwervels + ribben + been
11.

In de loop van je leven:

a)

komen er minder kalk in je botten

b)

komt er minder lijmstof in je botten

c)

blijft de hoeveelheid kalk en lijmstof gelijk.

d)

komt er meer lijmstof in je botten

12.
Welk type weefsel is dit?
a)
Beenweefsel
b)
Kraakbeenweefsel
c)
Tussencelstrof
d)
Zwakbeenweefsel
13.
De lendenwervels bevinden zich boven de borstwervels in de wervelkolom
a)
Niet waar
b)
Waar
14.
De dubbele S-vorm zorgt voor
a)
Stevigheid
b)
Het opvangen van schokken
c)
Het beknellen van zenuwen
d)
Snellere beweging
15.
Op welke manier maakt je skelet beweging mogelijk?
a)
Doordat de botten langs elkaar schrapen als je sport
b)
Doordat je spieren aan de botten vastzitten 
c)
Doordat je botten veel energie bevatten
d)
Doordat je skelet bestaat uit kraakbeen en kraakbeen is beweeglijk
16.
Deze beer is een ...
a)
Teenganger
b)
Zoolganger
c)
Hoefganger
d)
Pootganger
17.
De verbinding tussen je ellepijp en opperarmbeen is een ...
a)
Kraakbeenverbinding
b)
Scharniergewricht
c)
Kogelgewricht
d)
Rolgewricht
18.

Waarom helpt koelen bij een kneuzing?

a)

Het vermindert de zwelling

b)

Het helpt het slachtoffer aan iets anders denken (nl. pijn van de kou)

c)

Het verdooft de pijn van de kneuzing

d)

Het maakt dat het bloed sneller stroomt

19.

Wat is een ontwrichting?

a)

Weefsel heeft even klem gezeten tussen bot en een voorwerp van buitenaf

b)

Weefsel is opgerekt doordat een gewricht een te grote beweging maakte

c)

De onderdelen van een gewricht zijn uit elkaar geweest (of nog steeds uit elkaar)

d)

Er is een ernstige beschadiging van de huid

20.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 11?
a)
Heiligbeen
b)
Staartbeen
c)
Heupbeen
d)
Bekken
21.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 5?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
22.

Nummer 7 zijn.....

a)

Teenkootjes

b)

Vingerkootjes

c)

Middenhandsbeentjes

d)

Middenvoetsbeentjes

23.

Wat is de overeenkomst tussen een mol en een vleermuis?

a)

Het zijn allebei zoogdieren

b)

Ze hebben ongeveer dezelfde leefwijze

c)

Ze hebben een overeenkomstig bouwplan

d)

Ze hebben allebei een uitwendig skelet

24.

Wat is er voor verschil in beweging tussen een dier met een inwendig skelet en een dier met een uitwendig skelet

a)

Dieren met een uitwendig skelet kunnen meer kracht zetten dan dieren met een inwendig skelet.

b)

Dieren met een uitwendig skelet hebben de gewrichten aan de buitenkant zitten van hun skelet en dieren met een inwendig skelet aan de binnenkant.

c)

Dieren met een uitwendig skelet hebben geen spieren maar alleen pezen.

25.

Spierbundels bestaan uit...

a)

Spiervezels

b)

Spiercellen

c)

Spierschedes

26.

Welk type beenverbinding is hier afgebeeld?

(a)  

27.

Wat zit er in het beenvlies

a)

Vet

b)

Huid

c)

Bot

d)

Bloedvaten

28.

Welk gewrichtsonderdeel wordt bedoeld met nummer 1?

a)

gewrichtskapsel

b)

kraakbeenlaagje

c)

gewrichtssmeer

d)

kapselband

29.
De beenderen bij baby's bestaan voornamelijk uit kraakbeen
a)
Juist
b)
Onjuist
30.

Wat voor soort verbinding kan je vinden tussen je wervels?

(a)