wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 1 organen en cellen

Total questions: 45

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

In de afbeelding zie je een deel van een plant. Met welk nummer is een zijwortel aangegeven?

a)

Nummer 1

b)

Nummer 2

c)

Nummer 3

d)

Nummer 4

2.

Welk van onderstaande beschrijvingen is géén functie van de wortel van een plant?

a)

Vast zetten van plant in de bodem

b)

Opnemen van koolstofdioxide in de lucht

c)

Opslaan van reservevoedsel

d)

Opnemen van water in de grond

3.

Hoe heet onderdeel 3 in de afbeelding

a)

Bladmoes

b)

Bladrand

c)

Bladnerf

4.

Tine zegt: Een plant slaat reservevoedsel op in de wortel. Daarmee kan de plant de winter doorkomen.

Rudy zegt: De plant neemt water en voedingsstoffen op en vervoert ze naar de bladeren. De stoffen worden vervoerd door vaatbundels.

Wie heeft er gelijk?

a)

Beide ongelijk

b)

Tine

c)

Rudy

d)

Beide gelijk

5.

In de stengels van een plant komen vaatbundels voor. Komen vaatbundels ook in de wortels voor? En in de bladeren?

a)

Alleen in de stengels en in de wortels

b)

In de stengels, wortels en bladeren

c)

Alleen in de stengels

d)

Alleen in de stengels en in de bladeren

6.

Welk van deze twee planten leeft in een droge omgeving?

a)

A

b)

B

7.

Is deze stelling juist of onjuist?

De wortel van een plant heeft meerdere functies, zo neemt hij niet alleen water op maar ook zouten.

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

Met welk deel van de plant neemt de plant water op?

a)

Met de hoofdwortel

b)

Met de zijwortel

c)

Met de wortelharen

9.

In welk organenstelsel komen de biceps voor?

a)

Spierstelsel

b)

Bloedvatenstelsel

c)

beenderstelsel

d)

zenuwstelsel

10.

hebben cellen diepte ?

a)

ja

b)

nee

11.

wat is een organenstelsel?

a)

organen samen met een bepaalde vorm

b)

organen samen met een bepaalde taak

c)

een orgaan

12.

waar bevindt zich het zenuwweefsel?

a)

in de longen

b)

bij het hart

c)

in de darmen

d)

in de hersenen

13.

wat is een weefsel?

a)

cellen

b)

een groep cellen

c)

een groep cellen met dezelfde functie, maar een andere vorm

d)

een groep cellen met dezelfde functie en vorm

14.

Waaruit bestaat het cytoplasma?

a)

Water met zuurstof

b)

opgeloste stoffen met zuurstof

c)

water met opgeloste stoffen

d)

water met kleurstoffen

15.

Waar bevindt zich het celmembraan?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

d)

nummer 4

16.

Wat ligt er in het cytoplasma?

a)

de kern

b)

de celkern

c)

de kerncel

d)

de cel

17.

Waar ligt de celkern?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

d)

nummer 4

18.

welke cel heeft de meeste onderdelen?

a)

een plantaardige cel

b)

een dierlijke cel

19.

Wat zijn chromosomen?

a)

lange draden

b)

langgerekte dunne "draden"

c)

korte draden

d)

langgedrukte draden

20.

Wat heeft een plantaardige cel?

a)

een celkern, een celwand, een celmembraan, cytoplasma, kleurstofkorrels, bladgroenkorrels en een vacuole

b)

een celwand, een celmembraan, cytoplasma, bladgroenkorrels en een vacuole

c)

een celkern, een celwand, een celmembraan, bladgroenkorrels en een vacuole

d)

een celkern, een celwand, een celmembraan, cytoplasma, bladgroenkorrels en een vacuole

21.

Heeft een dierlijke cel een celwand?

a)

Ja

b)

Nee

22.

Wat zijn organen?

a)

Het zijn delen met een specifieke functie en ze kunnen samenwerken

b)

een levend wezen

c)

DNA

d)

een bepaald gebied met organisme die er leven

23.

In de afbeelding zie je:

a)

Een orgaanstelsel

b)

Een weefsel

c)

Een orgaan

d)

Een cel

24.

Hoe heet de stof die niet in de cellen zit. Op de afbeelding aangegeven met het cijfer 1.

a)

Tussencelstof

b)

Cytoplasma

c)

Weefsel

25.

De afbeelding geeft een deel van de opperhuid van een blad weer met een huidmondje.

De letters P en Q geven twee cellen aan. Behoren cel P en cel Q tot hetzelfde soort weefsel? Leg je antwoord uit.

a)

Ja, ze liggen tegen elkaar aan

b)

Ja, ze hebben dezelfde vorm

c)

Nee, ze hebben een andere bouw en functie

26.

In de afbeelding zie je een dwarsdoorsnede van een blad.

Met welk nummer worden de opperhuidcellen aangegeven?

a)

H

b)

I

c)

E

d)

S

27.

Welke cellen van een mens bevatten 46 chromosomen?

a)

Geslachtscellen

b)

Huidcellen

c)

Darmcellen

d)

Spiercellen

28.

In het DNA vormen de basen A, C, G en T vaste paren.


Welke paren zijn dat?

a)

A met G en C met T

b)

A met T en C met G

c)

A met C en G met T

29.

Wat wordt gemaakt bij het proces fotosynthese?

a)

Voedsel en zuurstof

b)

Koolstofdioxide en zuurstof

c)

Water en koolstofdioxide

d)

Voedsel en koolstofdioxide

30.

Een plant in een droge omgeving zal

a)

Veel of grote wortels hebben

b)

Geen wortels hebben

c)

Weinig of kleine wortels hebben

31.

In de afbeelding zie je een foto van een cel met een celkern.


Vindt er celdeling plaats in deze cel?

En welke uitleg klopt bij het antwoord?

a)

Ja , de chromosomen zijn zichtbaar

b)

Ja, de chromosomen zijn niet zichtbaar

c)

Nee, de chromosomen zijn zichtbaar

d)

Nee, de chromosomen zijn niet zichtbaar

32.

Bij een onderzoek van het darmslijmvlies van een patiënt worden behalve slijmvliescellen ook cellen van onverteerde plantenresten aangetroffen.

Enkele delen in en om een cel kunnen zijn: celkern, celmembraan en celwand.

Welk van deze delen heeft een plantencel wel, maar een cel uit het darmslijmvlies niet?

a)

een celkern

b)

een celmembraan

c)

een celwand

33.

De micro-organismen in het verteringskanaal van een koe maken enzymen die cellulose uit het plantaardige voedsel afbreken.

Waarin bevindt zich vooral veel cellulose?

a)

in de bladgroenkorrels

b)

in de celmembraan

c)

in de celwand

d)

in het cytoplasma

34.

Onderdeel 1 heet

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

35.

Hoe heet de eencellige op het plaatje

a)

Amoebe

b)

Pantoffeldiertje

36.

Hoe eet een pantoffeldiertje?

a)

Hij sluit het voedsel in met zijn schijnvoetjes

b)

Hij brengt het voedsel naar zijn mond met behulp van de trilhaartjes

c)

Met mes en vork

d)

Hij eet niet

37.

In welk onderdeel vind vertering plaats in een eencellige?

a)

Cytoplasma

b)

Cel anus

c)

Celkern

d)

Voedingsvacuole

38.

Bij welk(e) dier(en) kun je een voedingsvacuole zien

a)

Amoebe

b)

Pantoffeldiertjes

c)

Geen van beide

d)

Allebei

39.

Welke van de plaatjes geeft een pantoffeldiertje weer?

a)
b)
40.

Tijdens welke fase van de celcyclus zijn de chromosomen met een microscoop zichtbaar?

a)

het leven van de cel

b)

bij plasmagroei

c)

celdeling

d)

specialisatie

41.

Welke combinatie basenparen is juist?

a)

T-G

b)

C-T

c)

C-G

d)

A-C

42.

Wat is een basenpaar?

a)

Een streng van de 'wenteltrap'

b)

dat bepaalt bv de kleur van je ogen

c)

een trede van de 'wenteltrap'

d)

deze zorgen ervoor dat je chromosomen soms met een microscoop zichtbaar zijn

43.

Een cel met een bepaalde functie, noem je een

a)

moedercel

b)

dochtercel

c)

gespecialiseerde cel

d)

stamcel

44.

Hoe noemen we een cel waaruit alle verschillende typen cellen kunnen ontstaan?

a)

embryonale stamcel

b)

stamcel

c)

moedercel

d)

gespecialiseerde cel

45.

Hoe noemen we het proces waarbij dochtercellen net zo groot worden als de moedercel?

a)

groei

b)

ontwikkeling

c)

specialisatie

d)

plasmagroei