Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Wateroverlast

Total questions: 41

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

In welk deel van de rivier is deze foto genomen?

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

d)

Delta

2.

Welke twee zinnen gaan over waterbeleid en steden?

a)

Het ontkoppelen van het riool voorkomt wateroverlast.

b)

De infiltratiecapaciteit is in verhouding hier vele malen groter.

c)

Naast zoet water kom je hier ook zout en brak water tegen.

d)

Door verhoging van de grondwaterstand wordt de biodiversiteit groter.

e)

Wadi’s en regenwatervijvers vergroten de vertragingstijd.

3.

Welk begrip hoort niet in dit rijtje thuis?

a)

De Maas

b)

Regenrivier

c)

Gemengde rivier

d)

Laag verhang

4.

Welk begrip hoort niet in dit rijtje thuis?

a)

Verhang

b)

Debiet

c)

Vertragingstijd

d)

Piekafvoer

5.

Welke begrippencombinatie met bovenloop is juist?

a)

Bovenloop = verticale erosie – kleine keien en rotsen – klein verval – hoge stroomsnelheid – groot verhang

b)

Bovenloop = verticale erosie – grote keien en rotsen – groot verval – grote stroomsnelheid – groot verhang

c)

Bovenloop = horizontale erosie – grote keien en rotsen – groot verval – grote stroomsnelheid – sedimentatie

d)

Bovenloop = horizontale erosie – zand en klei – klein verval – lage stroomsnelheid – sedimentatie

6.

Hoe wordt de grens tussen stroomgebieden genoemd?

a)

Stroomstelsel

b)

Waterscheiding

c)

Debiet

d)

Verhang

7.

Welk begrip past bij deze zin? Het hoogteverschil langs de Rijn tussen Lobith en Hoek van Holland is 14 meter.

a)

Debiet

b)

Verhang

c)

Verval

d)

Regiem

e)

Kanalisatie

8.

Venlo ligt t.o.v. de Maas in:

a)

het binnendijks gebied

b)

het winterbed

c)

de uiterwaard

d)

het buitendijks gebied

9.

In Nederland komt er meer water binnen dan dat er weg stroomt. We spreken dus van

a)

Een negatieve waterbalans

b)

Een positieve waterbalans

c)

Waterstress

10.

In dit deel van de rivier vindt de meeste sedimentatie plaats

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

11.

In dit deel van de rivier is de stroomsnelheid het hoogst

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

12.

De Rijn is een...

a)

Gletsjerrivier

b)

Regenrivier

c)

Gemengde rivier

13.

Infiltratie betekent

a)

Het afvoeren van water uit een gebied

b)

Het intrekken van water in de bodem

c)

Het afsmelten van een gletsjer

d)

Het stijgen van de zeespiegel

14.

Wat hoort niet bij een stroomgebied?

a)

De zee waar de rivier op uitmondt

b)

De zijrivier van de hoofdrivier

c)

Smeltwater wat in de hoofdrivier terechtkomt

d)

Regenwater dat ondergronds naar de hoofdrivier stroomt

15.

Wat is een Delta?

a)

De trechtervormige monding van een rivier

b)

Nieuw land dat ontstaat door sedimentatie waar de rivier uitmondt in de zee

c)

Dammen om het zeewater buiten het land te houden

16.

Wat is geen maatregel van Ruimte voor de Rivier?

a)

Aanleg van een hoogwatergeul

b)

Ontpoldering van een gebied

c)

Kribverlaging

d)

Dijkverlegging

e)

Het aanleggen van een stuwdam

17.

Een rivier bestaat uit 3 onderdelen, bij welk antwoord staan ze in de goede volgorde?

a)

Bovenloop, Benedenloop, tussenloop.

b)

Middenloop, benedenloop, bovenloop

c)

Benedenlopen, middenloop, bovenloop

d)

Bovenloop, tussenloop, benedenloop

18.

Wat is groter?

a)

Een stroomgebied

b)

De hoofdrivier

19.

Hoe noemen we schommelingen in de waterafvoer van een rivier?

a)

Regiem

b)

Debiet

c)

Piekafvoer

20.
Het geheel van de hoofdstroom en de zijtakken noem je het stroomstelsel van een rivier.
a)
Juist
b)
Onjuist
21.
Horizontale erosie zal met name plaatsvinden in de bovenloop van de rivier.
a)
Juist
b)
Onjuist
22.
Door verstedelijking neemt de vertragingstijd af, het water doet er langer over om de rivier te bereiken.
a)
Juist
b)
Onjuist
23.
Op de oeverwal werd met name fijne klei afgezet.
a)
Juist
b)
Onjuist
24.
Reliëf en waterscheidingen hebben met elkaar te maken.
a)
Juist
b)
Onjuist
25.
De uiterwaarden horen bij het buitendijkse gebied.
a)
Juist
b)
Onjuist
26.
In Laag-Nederland kunnen de uiterwaarden hoger liggen dan het binnendijks gebied.
a)
Juist
b)
Onjuist
27.
Meanderhalsafsnijdingen en stroomgordelverleggingen zijn kenmerkend voor gebieden in de ...
a)

benedenloop

b)
middenloop
c)
bovenloop
28.
Waarom hebben we in Nederland een zomer en een winterdijk?
a)
Dan zijn we extra beschermt. Twee dijken geeft dubbele bescherming.
b)
De waterstand kan worden geregeld
c)
In de zomer staat het water lager.
d)
In de zomer heeft de dijk minder water te vervoeren dan in de winter.
29.

Wat is geen oorzaak voor de toename van overstromingen?

a)

Minder infiltratie door ontbossing en verstening.

b)

Broeikaseffect: het warmer worden van het klimaat.

c)

Bodemdaling door het oppompen van grondwater.

d)

Beleid: ruimte voor de rivieren maken.

30.

Wat is verzilting?

a)

Toename van het zoutgehalte in irrigatiewater.

b)

Toename van vegetatie op zoute bodems.

c)

Toename van het zoutgehalte in de bodem en het water.

d)

Toename van het zoutgehalte in neerslag.

31.

Welke stap hoort niet thuis in de drietrapsstrategie?

a)

Vasthouden

b)

Verstevigen

c)

Bergen

d)

Lozen

32.

Een winterdijk is

a)

Gelegen vlak naast de rivier

b)

Een soort verhoogde uiterwaard

c)

Gelegen op de oude komgronden

d)

Een dijk die het water bij de hoogste waterstand keert

33.

Wat zijn de taken van waterschappen?

a)

Zij zorgen voor de kwantiteit

b)

Zij zorgen voor de waterkwaliteit, kwantiteit en de waterkeringen

c)

Zij zorgen voor de waterkwaliteit

34.

Het neerleggen van slib en zand is

a)

Erosie

b)

Delta

c)

Sedimentatie

d)

Kunstmatige afwatering

35.

Sinds de winterdijken er zijn komen uiterwaarden steeds hoger/lager te liggen

a)

Hoger

b)

Lager

36.

In west Nederland wordt vooral de maatregel dijkverhoging en verbreding toegepast binnen het project Ruimte voor de rivier. Waarom specifiek deze maatregel?

a)

Deze is het goedkoopst

b)

Er is weinig ruimte in west Nederland want er liggen veel grote steden

c)

Er zijn daar veel rivieren

d)

Dit is het makkelijkst

37.

Waarom zorgt uiterwaardafgraving voor meer ruimte voor de rivier?

a)

Het opgestapelde sediment/slib op de uiterwaarden wordt afgegraven waardoor de uiterwaarden weer lager komen te liggen en er meer ruimte is voor het water

b)

Het opgestapelde sediment/slib op de uiterwaarden wordt in de rivier gegooid waardoor die ondieper wordt en meer ruimte heeft voor water

c)

Het opgestapelde sediment/slib wordt opgebracht op de uiterwaarden zodat ze steviger worden en betere bescherming bieden tegen water

38.

Als er meer zijtakken zijn in rivieren, is het stroomgebied van een rivier groter

a)

Juist

b)

Onjuist

39.

Door meer ontbossing zal de hoeveelheid sediment die door de rivier wordt meegenomen

a)

Afnemen

b)

Toenemen

40.

De Rijn (een gemengde rivier) heeft een regelmatig regiem, omdat het het hele jaar door regent

a)

Juist

b)

Onjuist

41.

Welke twee zinnen gaan over waterbeleid en steden?

a)

Het ontkoppelen van het riool voorkomt wateroverlast.

b)

De infiltratiecapaciteit is in verhouding hier vele malen groter.

c)

Naast zoet water kom je hier ook zout en brak water tegen.

d)

Door verhoging van de grondwaterstand wordt de biodiversiteit groter.

e)

Wadi’s en regenwatervijvers vergroten de vertragingstijd.