Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 5 Wonen in Nederland H1 + H2

Total questions: 60

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Wat verstaan we onder NAP?

a)

Nieuw Amsterdams Peil

b)

Normaal Amsterdams Peil

c)

Noord Atlantisch Peil

2.

Een winterdijk is

a)

Gelegen vlak naast de rivier

b)

Een soort verhoogde uiterwaard

c)

Gelegen op de oude komgronden

d)

Een dijk die het water bij de hoogste waterstand keert

3.

Wat zijn de taken van waterschappen?

a)

Zij zorgen voor de kwantiteit

b)

Zij zorgen voor de waterkwaliteit, kwantiteit en de waterkeringen

c)

Zij zorgen voor de waterkwaliteit

4.

Nederland ligt in de .............. van alle rivieren

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

5.

Het neerleggen van slib en zand is

a)

Erosie

b)

Delta

c)

Sedimentatie

d)

Kunstmatige afwatering

6.

Sinds de winterdijken er zijn komen uiterwaarden steeds hoger/lager te liggen

a)

Hoger

b)

Lager

7.

In west Nederland wordt vooral de maatregel dijkverhoging en verbreding toegepast binnen het project Ruimte voor de rivier. Waarom specifiek deze maatregel?

a)

Deze is het goedkoopst

b)

Er is weinig ruimte in west Nederland want er liggen veel grote steden

c)

Er zijn daar veel rivieren

d)

Dit is het makkelijkst

8.

Wat is kwel?

a)

Zoet water in grondwater

b)

Een plasje water omdat water niet door klei heen zakt

c)

Brak water dat opborrelt in grondwater

9.

Wat is géén voorbeeld van een manier om Ruimte voor de Rivier te maken?

a)

Dijkverlegging

b)

Nevengeul

c)

Kribverlaging

d)

Zeewering

10.

Waarom zorgt uiterwaardafgraving voor meer ruimte voor de rivier?

a)

Het opgestapelde sediment/slib op de uiterwaarden wordt afgegraven waardoor de uiterwaarden weer lager komen te liggen en er meer ruimte is voor het water

b)

Het opgestapelde sediment/slib op de uiterwaarden wordt in de rivier gegooid waardoor die ondieper wordt en meer ruimte heeft voor water

c)

Het opgestapelde sediment/slib wordt opgebracht op de uiterwaarden zodat ze steviger worden en betere bescherming bieden tegen water

11.

In welke loop van de rivier is de stroomsnelheid het hoogst?

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

12.

''Het zouter worden van grond- of oppervlaktewater''

a)

Verzouting

b)

Verzilting

c)

Aquifer

d)

Kwel

13.

''Extreem hoge waterafvoer in een rivier''

a)

Regiem

b)

Debiet

c)

Piekafvoer

d)

Erosie

14.

''Rivier die naast regenwater ook smeltwater van gletsjers afvoert''

a)

Gemengde rivier

b)

Regenrivier

c)

Gletsjerrivier

15.

Als er meer zijtakken zijn in rivieren, is het stroomgebied van een rivier groter

a)

Juist

b)

Onjuist

16.

''De hoeveelheid water die op een bepaald punt passeert in de rivier''

a)

Debiet

b)

Regiem

17.

''Schommelingen in de waterafvoer van een rivier in de loop van een jaar''

a)

Regiem

b)

Debiet

18.

In de benedenloop is meer sedimentatie in de rivier dan in de bovenloop

a)

Juist

b)

Onjuist

19.

Welk stuk van de rivier ligt in de delta?

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

20.

''Rivier met alle zijrivieren en vertakkingen die in hetzelfde stroomgebied liggen''

a)

Stroomgebied

b)

Stroomstelsel

c)

Waterscheiding

21.

''De grens tussen twee stroomgebieden''

a)

Stroomgebied

b)

Stroomstelsel

c)

Waterscheiding

22.

Door meer ontbossing zal de hoeveelheid sediment die door de rivier wordt meegenomen

a)

Afnemen

b)

Toenemen

23.

China heeft een droge winter, daarom is het regiem van een rivier daar onregelmatiger

a)

Juist

b)

Onjuist

24.

In de bovenloop van de rivier is veel erosie, terwijl in de benedenloop veel sedimentatie is

a)

Juist

b)

Onjuist

25.

Welke twee zinnen gaan over waterbeleid en steden?

a)

Het ontkoppelen van het riool voorkomt wateroverlast.

b)

De infiltratiecapaciteit is in verhouding hier vele malen groter.

c)

Naast zoet water kom je hier ook zout en brak water tegen.

d)

Door verhoging van de grondwaterstand wordt de biodiversiteit groter.

e)

Wadi’s en regenwatervijvers vergroten de vertragingstijd.

26.

Welk begrip hoort niet in dit rijtje thuis?

a)

De Maas

b)

Regenrivier

c)

Gemengde rivier

d)

Laag verhang

27.

Welke begrippencombinatie met bovenloop is juist?

a)

Bovenloop = verticale erosie – kleine keien en rotsen – klein verval – hoge stroomsnelheid – groot verhang

b)

Bovenloop = verticale erosie – grote keien en rotsen – groot verval – grote stroomsnelheid – groot verhang

c)

Bovenloop = horizontale erosie – grote keien en rotsen – groot verval – grote stroomsnelheid – sedimentatie

d)

Bovenloop = horizontale erosie – zand en klei – klein verval – lage stroomsnelheid – sedimentatie

28.

Welk begrip past bij deze zin? Het hoogteverschil langs de Rijn tussen Lobith en Hoek van Holland is 14 meter.

a)

Debiet

b)

Verhang

c)

Verval

d)

Regiem

e)

Kanalisatie

29.

Welk onderdeel van de rivier wordt met nummer 5 weergegeven?

a)

Uiterwaard

b)

Winterdijk

c)

Zomerdijk

d)

Kribben

30.

Welke onderdeel van het project 'Ruimte voor de Rivier' geeft C aan?

a)

Aanleggen nevengeul

b)

Verplaatsen winterdijk

c)

Verlagen kribben

d)

Verlagen uiterwaarden

31.

Infiltratie betekent

a)

Het afvoeren van water uit een gebied

b)

Het intrekken van water in de bodem

c)

Het afsmelten van een gletsjer

d)

Het stijgen van de zeespiegel

32.
a)

Dit is een U-dal gevormd door een rivier

b)

Dit is een U-dal gevormd door een gletsjer

c)

Dit is een V-dal gevormd door een rivier

d)

Dit is een V-dal gevormd door een gletsjer

33.
Wat betekent de gestegen temperatuur voor het neerslagregiem?
a)
Een gelijkmatigere verdeling van de neerslag
b)
Heftige buien vooral in de zomer
c)
Meer neerslag in de zomer
d)
Minder neerslag in de winter
34.
Wat is het neerslagregiem?
a)
De gemiddelde neerslag over een langere periode gemeten
b)
De gemiddelde neerslag over een jaar
c)
Schommelingen in de neerslag over het jaar heen
d)
Schommelingen in de afvoer van een rivier
35.
Welk begrip hoort niet in het rijtje thuis?
a)
Groot verhang
b)
Sedimentatie
c)
Erosie
d)
Bovenloop
36.

Regiem=

a)

De hoeveelheid water die door een rivier stroomt

b)

Hoeveel neerslag er in de rivier komt

c)

Schommelingen in de waterafvoer van een rivier

37.

Door verstening

a)

verlengt de vertragingstijd

b)

versnelt de vertragingstijd

38.

Uiterwaarden:

a)

Liggen tussen zomerdijk en winterdijk

b)

Liggen tussen de rivier en de zomerdijk

c)

Liggen binnendijks

39.

Wat is de juiste volgorde van rivier tot binnendijks gebied?

a)

Rivier, zomerdijk, winterdijk, uiterwaard, binnendijks gebied

b)

Rivier, winterdijk, uiterwaard zomerdijk, binnendijks gebied

c)

Rivier, zomerdijk, uiterwaard, winterdijk, binnendijks gebied

d)

Rivier, winterdijk, zomerdijk, uiterwaard, binnendijks gebied

40.

Welke stelling is waar?

a)

Een winterdijk is groter dan een zomerdijk

b)

Als je tussen de winterdijk en zomerdijk woont, dan woon je in binnendijks gebied

c)

Een zomerdijk hoort niet te overstromen

41.

Wat is de drietrapsstrategie?

a)

Vasthouden, bergen, afvoeren

b)

Afvoeren, bergen, vasthouden

c)

Bergen, afvoeren, vasthouden

d)

Vasthouden, afvoeren, bergen

42.

Wat is een retentiegebied?

a)

Een gebied waar neerslag valt en gelijk vastgehouden kan worden

b)

Een gebied waar water via rivieren naar een ander gebied wordt gebracht

c)

Een gebied waar water geborgen wordt (zoals een plas of meer) als het niet vastgehouden kan worden op de plek waar de neerslag valt

d)

Een gebied waar koeien kunnen grazen

43.
Door verstedelijking neemt de vertragingstijd af, het water doet er langer over om de rivier te bereiken.
a)
Juist
b)
Onjuist
44.

Het aanleggen van wadi's in nieuwe woonwijken is een voorbeeld van

a)

vasthouden (retentie)

b)

bergen

c)

afvoeren

45.

Binnen de drietrapsstrategie is retentie een ander woord voor

a)

vasthouden

b)

bergen

c)

afvoeren

46.

De combinatie van de absolute zeespiegelstijging en het effect van de bodemdaling

a)

Relatieve zeespiegelstijging

b)

Zeespiegelstijging

c)

Ontwikkelingspeil

d)

Grondwater

47.

Ontbossing op een helling bij de rivier

a)

verlengt de vertragingstijd

b)

versnelt de vertragingstijd

48.

In het westen van Nederland is er vooral bodemdaling door (2 antwoorden goed)

a)

Gaswinning

b)

Inklinking van klei en veen door wegpompen water

c)

Veenoxidatie

d)

Geen sedimentatie vanuit rivier door dijken

49.

Een stormvloedkering wordt gesloten op het moment dat er

a)

Storm is

b)

Hoog water (vloed) is

c)

Een combinatie van beiden

50.

Als er een hevige storm gaande is, worden vaak de stormvloedkeringen gesloten. Tegelijk is er vaak hoog water in rivieren. Wat is het verband?

a)

Door de storm regent het erg veel in het stroomgebied van de rivieren

b)

Door de storm wordt het water opgestuwd en is de kans groter de rivieren overstromen

c)

Door het hoogwater wordt er meer water afgevoerd naar de zee

d)

Door het hoogwater wordt er minder water afgevoerd naar de zee, want de keringen zitten dicht

51.

Bij een storm waait er meestal een westenwind. Uit welke richting komt deze wind?

a)

Westen

b)

Oosten

c)

Noorden

d)

Zuiden

52.

Het hoogteverschil langs de Rijn tussen Lobith en Hoek van Holland is 14 meter. Tussen de 2 plaatsen zit 175 km. Wat is het verhang?

a)

14 / 175 = 0,08 m/km

b)

175 / 14 = 12,5 m/km

c)

14 / 175000 = 0,00008 m/m

d)

175 / 0,014 = 12500 km/km

53.

De klei in uiterwaarden werd vroeger vaak uitgegraven ten behoeve van

a)

Ruimte voor de Rivier

b)

Biodiversiteit

c)

Steenfabrieken

d)

Boten

54.

Welke twee stellingen zijn juist?

a)

Door klimaatverandering krijgt de Waal te maken met een regelmatiger regiem

b)

Door infiltratie wordt het regiem van een rivier regelmatig

c)

Verstening zorgt voor een grotere afvoer van water in rivieren

d)

Verstening en ontbossing zorgen voor een langere vertragingstijd

55.

Welke rivier heeft een onregelmatiger regiem?

a)

Maas

b)

Rijn

56.

In welke grafiek zie je het regiem en debiet van de Rijn?

a)
b)
57.

Het Deltaprogramma heeft 3 hoofddoelen:

a)

waterveiligheid

b)

ruimtelijke adaptatie

c)

zoet watervoorziening

d)

klimaatverandering tegengaan

58.

Welk begrip wordt hier beschreven: waterbeheer waarbij er ook rekening wordt gehouden met andere functies in het gebied, zoals bebouwing, landbouw, natuur en recreatie

(a)  

59.

Waarom is er vooral in West-Nederland in de zomer sprake van verzilting?

a)

Door bodemdaling is er opborrelend brak water: kwel.

b)

De afvoer uit rivieren is laag, waardoor zeewater via de monding van de rivier het land in kan komen.

c)

Het regent weinig, dus er wordt verkeerd geïrrigeerd. Water verdampt en de zouten blijven achter.

d)

Het grondwater is hier al zout.

60.

In West-Nederland is er sprake van bodemdaling. Er wordt ontwaterd om het land klaar te maken voor de landbouw. Daardoor klinkt de bodem in. Uit welke grondsoort bestaat West-Nederland vooral?

a)

Veen

b)

Veen en klei

c)

Zand

d)

Zand en Veen