wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Leerstof economie trim 1

Total questions: 17

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een behoefte?

a)

Het aanvoelen van een tekort.

b)

Het verlangen om aan iets te voldoen.

c)

Het aanvoelen van een tekort en het verlangen om eraan te voldoen.

d)

Zin om naar het toilet te gaan.

2.

Goederen zijn...

a)

Producten of tastbare dingen

b)

die je kan kopen met geld

c)

prestaties die niet tastbaar zijn

d)

die iemand anders voor je levert

e)

en waarmee je behoeften kan bevredigen

3.

Over welke soort behoefte gaat de foto.

a)

Primaire behoefte

b)

Secundaire behoefte

c)

Economische behoefte

d)

Niet-economische behoefte

4.

Over welke soort behoefte gaat de foto.

a)

Primaire behoefte

b)

Secundaire behoefte

c)

Economische behoefte

d)

Niet-economische behoefte

5.

Over welke soort behoefte gaat het hier?

a)

Economische behoefte

b)

Niet-economische behoefte

6.

Een bedrijf die in grote hoeveelheden verkoopt aan kleinere verkopers is een ...

a)

Groothandel

b)

Kleinhandel

7.

Hoe noemen we, binnen de economie, iemand die iets koopt?

a)

Producent

b)

Consument

c)

Overheid

d)

Buitenland

8.

Bij wie gaan we iets kopen? Wie ‘maakt’ er de producten?

a)

Producent

b)

Consument

c)

Overheid

d)

Buitenland

9.

Aan wie moeten we belastingen betalen?

a)

Producent

b)

Consument

c)

Buitenland

d)

Overheid

10.

Waar worden onze producten vooral gemaakt?

a)

Maldegem

b)

Oost-Vlaanderen

c)

België

d)

Buitenland

11.

Een handelaar is iemand die ...

a)

goederen aankoopt

b)

diensten verstrekt

c)

goederen verkoopt

d)

winst wil maken

12.

Shampoo is voor een apotheker deel van zijn ...

a)

Hoofdassortiment

b)

Nevenassortiment

13.

... dit is voor een slager deel van zijn ...

a)

Hoofdassortiment

b)

Nevenassortiment

14.

De schuldeiser is de persoon ...

a)

... die moet betalen

b)

... die geld moet krijgen

15.

De schuldenaar is de persoon ...

a)

... die geld moet betalen

b)

... die geld moet krijgen

16.

Om cash te betalen gebruik je ...

a)
b)
c)
d)
17.

Een kasticket is een belangrijk document. Want het is ...

a)

een bewijs van aankoop

b)

papierverspilling

c)

een controlemiddel

d)

een garantiebewijs