wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taalkundig ontleden

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het onderstreepte woord?


Ik ben gisteren een dagje naar zee geweest.

a)

Persoonsvorm

b)

Infinitief

c)

Voltooid deelwoord

d)

Tegenwoordig deelwoord

2.

Hebben jullie weleens in de zee gezwommen?

a)

Persoonsvorm

b)

Infinitief

c)

Voltooid deelwoord

d)

Tegenwoordig deelwoord

3.

Na het zwemmen gingen we een haring eten.

a)

Persoonsvorm

b)

Infinitief

c)

Voltooid deelwoord

d)

Tegenwoordig deelwoord

4.

Daarna zijn we lopend naar het hotel teruggegaan.

a)

Persoonsvorm

b)

Infinitief

c)

Voltooid deelwoord

d)

Tegenwoordig deelwoord

5.

Ik ben gek op zwemmen.

a)

werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

6.

Voetballen vind ik ook heel leuk.

a)

werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

7.

Mijn vriendin gaat liever hockeyen.

a)

werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

8.

Ik heb goed voor de toets geleerd.

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

voorzetsel

9.

Toch heb ik een onvoldoende behaald.

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

voorzetsel

10.

Een van de vragen vond ik ontzettend moeilijk.

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

voorzetsel

d)

telwoord

11.

Het regent nu al uren.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

persoonlijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

12.

Heb je haar gisteren nog gesproken?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

13.

Zij was niet thuis, maar haar broer heb ik wel gezien.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

14.

Hij was vorige week ook op dat feestje.

a)

lidwoord

b)

infinitief

c)

voegwoord

d)

voorzetsel

15.

Die jongen kan echt goed dansen!

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

voorzetsel

16.

Ik zou graag met hem willen praten, maar ik durf niet.

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

lidwoord

c)

voegwoord

d)

voorzetsel

17.

Heb jij het plastic al aan straat gezet?

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

lidwoord

d)

persoonlijk voornaamwoord

18.

Vandaag draag ik een zijden blouse.

a)

wel een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

b)

geen stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

19.

Zij heeft een modern schilderij gekocht.

a)

wel een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

b)

geen stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

20.

Mijn vriend heeft mij een zilveren armband gegeven.

a)

wel een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

b)

geen stoffelijk bijvoeglijk naamwoord