Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal Actief 7 - Thema 3 - Alle woorden

Total questions: 41

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Rustig, bescheiden.

a)

ingetogen

b)

uitbundig

c)

de carnavalskraker

d)

zich vermommen

e)

het volksfeest

2.

Vrolijk, uitgelaten.

a)

ingetogen

b)

uitbundig

c)

de carnavalskraker

d)

zich vermommen

e)

het volksfeest

3.

Een lied dat populair is tijdens carnaval.

a)

ingetogen

b)

uitbundig

c)

de carnavalskraker

d)

zich vermommen

e)

het volksfeest

4.

Je zo verkleden dat je onherkenbaar bent.

a)

ingetogen

b)

uitbundig

c)

de carnavalskraker

d)

zich vermommen

e)

het volksfeest

5.

Een feest dat op straat gevierd wordt en waar heel veel mensen aan meedoen.

a)

ingetogen

b)

uitbundig

c)

de carnavalskraker

d)

zich vermommen

e)

het volksfeest

6.

Je schamen.

a)

je generen

b)

beduusd

c)

de traditie

d)

doordringend

e)

troebel

7.

Stil van verbazing.

a)

je generen

b)

beduusd

c)

de traditie

d)

doordringend

e)

troebel

8.

Iets wat altijd op dezelfde manier gedaan wordt zoals mensen het gewend zijn.

a)

je generen

b)

beduusd

c)

de traditie

d)

doordringend

e)

troebel

9.

Iets wat dwars door alles heen gaat.

a)

je generen

b)

beduusd

c)

de traditie

d)

doordringend

e)

troebel

10.

Een vloeistof die niet helder is, waar je niet goed doorheen kunt kijken.

a)

je generen

b)

beduusd

c)

de traditie

d)

doordringend

e)

troebel

11.

Groot en stevig gebouwd.

a)

uit de kluiten gewassen

b)

uit je bol gaan

c)

zo zout heb ik het nog nooit gegeten

d)

tegenspartelen

12.

Heel erg uitgelaten zijn.

a)

uit de kluiten gewassen

b)

uit je bol gaan

c)

zo zout heb ik het nog nooit gegeten

d)

tegenspartelen

13.

Zoiets raars heb ik nog nooit meegemaakt.

a)

uit de kluiten gewassen

b)

uit je bol gaan

c)

zo zout heb ik het nog nooit gegeten

d)

tegenspartelen

14.

Je verzetten door wild te bewegen.

a)

uit de kluiten gewassen

b)

uit je bol gaan

c)

zo zout heb ik het nog nooit gegeten

d)

tegenspartelen

15.

Het moment dat een baby geboren wordt.

a)

de bevalling

b)

de vroedvrouw

c)

de kraamvrouw

d)

de navelstreng

e)

de pasgeborene

16.

Een vrouw die voor haar beroep helpt bij bevallingen.

a)

de bevalling

b)

de vroedvrouw

c)

de kraamvrouw

d)

de navelstreng

e)

de pasgeborene

17.

Een vrouw die net bevallen is.

a)

de bevalling

b)

de vroedvrouw

c)

de kraamvrouw

d)

de navelstreng

e)

de pasgeborene

18.

Een koord waarmee de baby in de buik met zijn moeder verbonden is.

a)

de bevalling

b)

de vroedvrouw

c)

de kraamvrouw

d)

de navelstreng

e)

de pasgeborene

19.

Een baby in de eerste vier weken na de geboorte.

a)

de bevalling

b)

de vroedvrouw

c)

de kraamvrouw

d)

de navelstreng

e)

de pasgeborene

20.

Door je blik laten merken dat je het er niet mee eens bent.

a)

afkeurend

b)

goedkeurend

c)

voordien

d)

gebruikelijk

e)

de bijdrage

21.

Door knikken laten merken dat je het ermee eens bent.

a)

afkeurend

b)

goedkeurend

c)

voordien

d)

gebruikelijk

e)

de bijdrage

22.

Daarvóór.

a)

afkeurend

b)

goedkeurend

c)

voordien

d)

gebruikelijk

e)

de bijdrage

23.

Zo wordt het altijd gedaan, het is de gewoonte.

a)

afkeurend

b)

goedkeurend

c)

voordien

d)

gebruikelijk

e)

de bijdrage

24.

Wat je geeft. Het kan geld zijn of iets anders.

a)

afkeurend

b)

goedkeurend

c)

voordien

d)

gebruikelijk

e)

de bijdrage

25.

De manier.

a)

de methode

b)

ingrijpen

c)

in de kinderschoenen staan

d)

de halfpipe

26.

Je bemoeit je ermee, omdat je denkt dat het anders verkeerd gaat.

a)

de methode

b)

ingrijpen

c)

in de kinderschoenen staan

d)

de halfpipe

27.

Het moet zich nog ontwikkelen, het is nog maar net begonnen.

a)

de methode

b)

ingrijpen

c)

in de kinderschoenen staan

d)

de halfpipe

28.

Een baan in de vorm van een halve ton om op te skaten of skateboarden.

a)

de methode

b)

ingrijpen

c)

in de kinderschoenen staan

d)

de halfpipe

29.

Een insect met lange achterpoten waarmee hij ver kan springen.

a)

de sprinkhaan

b)

de termiet

c)

likkebaarden

d)

kokhalzen

30.

Een insect dat op een mier lijkt en in warme landen leeft.

a)

de sprinkhaan

b)

de termiet

c)

likkebaarden

d)

kokhalzen

31.

De lippen aflikken, omdat je je verheugt op iets lekkers.

a)

de sprinkhaan

b)

de termiet

c)

likkebaarden

d)

kokhalzen

32.

Bijna overgeven.

a)

de sprinkhaan

b)

de termiet

c)

likkebaarden

d)

kokhalzen

33.

Hangt af van.

a)

afhankelijk

b)

voedzaam

c)

aanprijzen

d)

het alternatief

e)

verkrijgbaar

34.

Met veel energie en voedingsstoffen.

a)

afhankelijk

b)

voedzaam

c)

aanprijzen

d)

het alternatief

e)

verkrijgbaar

35.

Reclame maken voor iets of iemand.

a)

afhankelijk

b)

voedzaam

c)

aanprijzen

d)

het alternatief

e)

verkrijgbaar

36.

Een andere mogelijkheid.

a)

afhankelijk

b)

voedzaam

c)

aanprijzen

d)

het alternatief

e)

verkrijgbaar

37.

Is te verkrijgen.

a)

afhankelijk

b)

voedzaam

c)

aanprijzen

d)

het alternatief

e)

verkrijgbaar

38.

Iets willen hebben, iets nodig hebben.

a)

behoefte hebben aan

b)

de bouillon

c)

in totaal

d)

het water loopt me in de mond

39.

Een dunne soep gemaakt van vlees, vis, groenten en kruiden.

a)

behoefte hebben aan

b)

de bouillon

c)

in totaal

d)

het water loopt me in de mond

40.

Alles bij elkaar.

a)

behoefte hebben aan

b)

de bouillon

c)

in totaal

d)

het water loopt me in de mond

41.

Ik denk dat het erg lekker is.

a)

behoefte hebben aan

b)

de bouillon

c)

in totaal

d)

het water loopt me in de mond