wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2 havo Beeldspraak H1-2

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Het beeld vervangt het object waar het sterk op lijkt.

a)

vergelijk

b)

metafoor

c)

personificatie

2.

Een levenloos ding wordt als levend persoon voorgesteld.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

3.

Een object en een beeld waartussen een overeenkomst is, worden naast elkaar gezet.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

4.

De minister-president ging diep door het stof nadat bekend was geworden dat hij de Kamer onvolledig had geïnformeerd.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

5.

De nieuwe tablets gaan als zoete broodjes over de toonbank.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

6.

De twaalf jaar oude vaatwasser heeft de geest gegeven.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

7.

Tijdens de najaarsstorm stoeide de wind met de bladeren.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

8.

Die stratenmaker heeft een paar handen als kolenschoppen

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

9.

Na de diploma-uitreiking hebben veel leerlingen het gevoel of de toekomst hen toelacht.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

10.

Toen we op de alpenweide lagen, hoorden we in de verte een beekje murmelen.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

11.

De leraar zat tijdens het proefwerk mistig voor zich uit te kijken.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

12.

Denk maar rustig na; het papier is geduldig.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

13.

Ik voel me vandaag zo slap als een vaatdoek.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

14.

Het heeft al weken niet geregend; de bodem smacht naar regen.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

15.

De regering kwam met een tsunami van nieuwe voorschriften.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

16.

Die vent is een beest en hoort in de gevangenis te zitten.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

17.

Oma Postma loopt nog als een kievit.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

18.

Zij gedraagt zich als een prinses.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

19.

De prinses van de klas koopt wekelijks iets nieuws.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

20.

De pen danste op het papier.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

21.

De koning van de wildernis laat weer eens zien dat hij de baas is.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

22.

Hij is zo dom als een ezel.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

23.

Het gevaar loerde op elke straathoek.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

24.

De clown van de klas moest weer eens alle aandacht hebben.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

25.

Die vrouw lijkt wel een viswijf.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

26.

Zij koken van woede.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

metafoor in werkwoord

d)

personificatie

27.

Sanne vist naar complimentjes.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

metafoor in werkwoord

d)

personificatie

28.

Die acrobaat is net een slang.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

metafoor in werkwoord

d)

personificatie

29.

In de herfst van haar leven nam mijn oma nog rijles.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

metafoor in werkwoord

d)

personificatie

30.

De trainer snoert hem de mond.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

metafoor in werkwoord

d)

personificatie