wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Proeftoets 2A H9

Total questions: 75

Worksheet time: 1hrs 4mins

Name
Class
Date
1.
Welk van de onderstaande sappen bevatten enzymen
a)
Alvleessap en speeksel
b)
Alvleessap en maagzuur
c)
Gal en maagzuur
d)
Gal en speeksel
2.
Hoe heet orgaan 1?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
3.
Hoe heet orgaan 2?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
4.
Hoe heet orgaan 3?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
5.
Dit sap verteert vetten, eiwitten en zetmeel.
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagsap
d)
Speeksel
6.
Dit sap zorgt ervoor dat vet en water kunnen mengen.
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagsap
d)
Speeksel
7.
Deze darm bevat darmvlokken.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
8.
Welk orgaan maakt alvleessap?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
9.
Welke stoffen komen uiteindelijk in je endeldarm terecht?
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Vezels
10.

Welke stof(fen) zijn meer aanwezig bij ingeademde lucht en minder aanwezig bij uitgeademde lucht?

a)

zuurstof - koolstofdioxide - waterdamp

b)

Koolstofdioxide - edelstoffen - waterdamp

c)

zuurstof

d)

Koolstofdioxide

11.

Welke pijl staat voor welke stof? (2 antwoorden goed)

a)

geel: koolstofdioxide

b)

geel: zuurstof

c)

groen: koolstofdioxide

d)

groen: zuurstof

12.

Wat is de functie van de huig?

a)

afsluiten van luchtpijp

b)

afsluiten van slokdarm

c)

afsluiten van neus en mondholte

d)

voeding naar slokdarm begeleiden

13.

Wat is de functie van de strotklepje?

a)

afsluiten van mond en neusholte

b)

afsluiten van slokdarm

c)

afsluiten van luchtpijp

d)

begeleiden van voedsel naar de slokdarm

14.

Wat zijn de reactie producten?

a)

water + energie

b)

koolstofdioxide + water + energie

c)

koolstofdioxide + warmte + beweging

d)

koolstofdioxide + water

15.

welke horen bij elkaar? ( 2 antwoorden)

a)

rode bloedcel

b)

bloedplaatjes

c)

hemoglobine

d)

witte bloedcel

16.

bij inademing......

a)

Spant het middenrif aan en borstholte wordt groter

b)

ontspant het middenrif en borstholte wordt groter

c)

spant het middenrif aan en borstholte wordt kleiner

d)

ontspant het middenrif en borstholte wordt kleiner

17.

Bij uitademing...….

a)

ontspant het middenrif en buikholte wordt kleiner

b)

ontspant het middenrif en buikholte wordt groter

c)

spant het middenrif aan en buikholte wordt kleiner

d)

spant het middenrif aan en buikholte wordt groter

18.

hoe heet het omcirkelde onderdeel?

a)

witte bloedcel

b)

bloedplaatjes

c)

rode bloedcel

d)

bloedstolsel

19.
Deze afbeelding is een schematische tekening van
a)
een longlaasje
b)
een luchttakje
c)
een bronchie
d)
de luchtpijp
20.
In de animatie zie je 
a)
de buik- of middenrifademhaling
b)
de borstademhaling
c)
allebei
d)
geen van beide
21.
Het gas dat bedoelt wordt met pijl A heet
a)
zuurstof
b)
koolstofdioxide
c)
stikstof
d)
edelgassen
22.
In de animatie zie je
a)
een klaplong
b)
een astma-aanval
c)
een hartaanval
d)
een bronchitis-aanval
23.
Wat is niet waar?
a)
Als ik ga bewegen gaat het hart sneller kloppen
b)
Als ik ga bewegen gaat mijn ademhaling sneller
c)
Als ik ga bewegen heb ik meer koolstofdioxide nodig
d)
Als ik ga bewegen heb ik meer zuurstof nodig
24.
Welke weg ,legt de ingeademde lucht af in het ademhalingsstelsel?Wat is het juiste antwoord?
a)
Neusholte-strottenhoofd-keelholte-luchtpijp-bronchie
b)
neusholte-bronchie-strottenhoofd-keelholte-luchtpijp
c)
neusholte-keelholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchie
d)
keelholte-neusholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchie
25.
Bij de mens wordt suiker (glucose) verbrand>
Welke vorm van energie komt er dan vrij
a)
Warmte en beweging
b)
warmte en licht
c)
licht en beweging
d)
alleen beweging
26.
Wat is waar?
a)
In uitgeademde lucht zit meer zuurstof dan ingeademde lucht
b)
in ingeademde lucht zit meer koolstofdioxide dan uitgeademde lucht
c)
In ingeademde lucht zit meer zuurstof dan uitgeademde lucht
d)
In ingeademde lucht zit evenveel zuurstof als uitgeademde lucht
27.

Gaswisseling kan snel plaats vinden in de longblaasjes omdat?

a)

ze een heel groot oppervlakte samen hebben

b)

ze een dikke wand hebben

c)

ze makkelijk glucose kunnen uitwisselen

d)

ze makkelijk water kunnen uitwisselen

28.

Als je je adem inhoudt, wat zorgt er dan voor dat je wel weer MOET gaan ademhalen?

a)

De stijgende [O2]

b)

De dalende [O2]

c)

De stijgende [CO2]

d)

De dalende [CO2]

29.

Bij welk nummer of nummers vindt gaswisseling plaats?

a)

7 en 8

b)

1, 7 en 8

c)

1 en 5

d)

8

30.

Welke pijl geeft de richting van CO2 aan?

a)

Q

b)

P

c)

2

31.
Er zijn 6 groepen voedingsstoffen, welke hoort hier niet bij:
a)
eiwitten
b)
koolhydraten
c)
vezels
d)
vetten
32.
Als je op je handen staat en je eet / drinkt:
a)
Gaat het voedsel via de neus naar buiten
b)
Sluit de huig de neusholte af
c)
Sluit het strotklepje de neus af, sluit de huig je luchtpijp af
d)
Sluit de huig de neusholte af en het strotklepje de luchtpijp af 
33.
Hoe heet onderdeel 1
a)
Linkerboezem
b)
Llinkerkamer
c)
Rechterboezem
d)
Rechterkamer
34.
Met welke nummer wordt  linkerkamer aangeven?
a)
7
b)
9
c)
10
d)
12
35.
Met welke nummer word de longslagader aangeven?
a)
2
b)
4
c)
5
d)
6
36.
In de ......... stroomt het bloed dat rijk is  aan koolstofdioxide
a)
aorta
b)
Darmslagader
c)
longader
d)
poortader
37.
Iemand heeft longontsteking hiertegen medicijnen. Via welke weg komen de geslikte medicijnen, na opnamen in het bloed, in de cellen van de longen terecht?
a)
Via de grote en de kleine bloedsomloop
b)
alleen via de kleine bloedsomloop
c)
Alleen via de grote bloedsomloop
d)
Niet via de kleine en via de grote bloedsomloop
38.
Welke kenmerk hoort niet bij slagaders?
a)
Liggen diep in het lichaam
b)
Hoge bloed druk
c)
Dikke elastische wand
d)
Bevat veel kleppen
39.
Welke onderstaande bloedvaten is zuurstofarm
a)
Aorta
b)
Kransslagader
c)
Longslagader
d)
Longader
40.
Het hart heeft veel spierweefsel.
Welk deel van het hart is het meest gespierd?
a)
Linkerboezem
b)
Rechterboezem
c)
Linkerkamer
d)
Rechterkamer
41.

Bloed bestaat uit vloeistof en bloedcellen. Welke bloedcellen ken je?

a)

rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes

b)

rode bloedcellen en witte bloedcellen

c)

rode bloedcellen en bloedplaatjes

d)

witte bloedcellen en bloedplaatjes

42.
Bij bloedarmoede heb je..
a)
een te kort aan witte bloedcellen
b)
een te kort aan bloedplaatjes
c)
een te kort aan rode bloedcellen
d)
een te kort aan bloedplasma
43.
Wat is etter of pus?
a)
Dode rode bloedcellen en kapotte bloedplaatjes
b)
Dode rode- en witte bloedcellen
c)
Dode witte bloedcellen en gedode bloedplaatjes
d)
Dode witte bloedcellen en gedode bacteriën
44.
Hoe heet onderdeel 3
a)
aorta
b)
bovenste holle ader
c)
onderste holle ader
d)
kransslagader
45.
Zuurstofrijk bloed gaat naar het hart via de....
a)
Longslagader
b)
Longader
c)
Longhaarvat
d)
Aorta
46.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
47.
Hoe heet onderdeel D in deze figuur?
a)
rechterboezem
b)
linkerboezem
c)
rechterkamer
d)
linkerkamer
48.

De stroomsnelheid van het bloed is het laagst in .....

a)

aders

b)

holle ader

c)

haarvaten

d)

adertjes

49.

Wat is het grootste bloedvat van ons lichaam?

a)

aorta

b)

longslagader

c)

poortader

d)

borstbuis

50.

Wat is een belangrijk kenmerk van haarvaten?

a)

Haarvaten vervoeren het bloed naar het hart toe

b)

Haarvaten hebben dikke wanden

c)

Haarvaten hebben zeer dunne, halfdoorlatende wanden

d)

Haarvaten vervoeren het bloed van het hart af

51.

Wat is een belangrijk kenmerk van aders?

a)

Aders transporteren het bloed naar het hart toe

b)

Aders wisselen vocht uit met het omliggende weefsel

c)

Aders hebben geen kleppen

d)

Aders transporteren het bloed van het hart af

52.

Wat is de kleine bloedsomloop?

a)

Via de kleine bloedsomloop wordt bloed naar de longen gepompt. Daar wordt zuurstof opgenomen in het bloed.

b)

Via de kleine bloedsomloop wordt bloed naar de darmen gepompt. Daar worden voedingsstoffen opgenomen in het bloed

c)

In dit gedeelte van de bloedsomloop wordt lymfe opgenomen in het bloed

d)

Via de kleine bloedsomloop stroomt bloed naar de hersenen en terug.

53.

In welk deel van de bloedsomloop zal de zuurstof concentratie onder normale omstandigheden het hoogst zijn?

a)

longslagader

b)

longader

c)

poortader

d)

holle ader

54.

Het bloed stroomt van een kuitspier via de longen weer terug naar dezelfde kuitspier. Het bloed gaat daarbij minstens tweemaal door het hart. De weg die het bloed hierbij door het hart aflegt is achtereenvolgens:

a)

linkerkamer - linkerboezem - rechterkamer - rechterboezem

b)

linkerboezem - linkerkamer - rechterboezem - rechterkamer

c)

rechterkamer - rechterboezem - linkerkamer - linkerboezem

d)

rechterboezem - rechterkamer - linkerboezem - linkerkamer

55.

Via de kransslagaders stroomt bloed naar het hartspierweefsel en via de kransaders stroomt het bloed er weer uit. Daarna gaat dit bloed verder door het lichaam.

In welk deel van het hart zal dit bloed vervolgens als eerste komen?

a)

rechterboezem

b)

rechterkamer

c)

linkerboezem

d)

linkerkamer

56.

Bij een mens komt een rode bloedcel, die het hart verlaat, meestal door 1 haarvatennet, voordat deze cel terugkomt in het hart.

Bijvoorbeeld:

hart - aorta - nierslagader - nierhaarvaten - nierader - holle ader - hart


Via welke slagader is hierop een uitzondering, omdat een rode bloedcel dan 2 keer door een (verschillend) haarvatennet gaat?

a)

de darmslagader

b)

de longslagader

c)

de leverslagader

d)

de kransslagader

57.

De tekening stelt een enkelvoudige bloedsomloop van een vis voor. Met de cijfers 1 t/m 4 zijn haarvatennetten in organen aangeduid. Met welk cijfer zijn de haarvaten van de lever aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

58.

Over bloedvaten van de mens worden twee beweringen gedaan:


1) Alle slagaders vervoeren zuurstofrijk bloed

2) De poortader vervoert zuurstofrijk bloed naar de darmen


Welke bewering(en) is of zijn juist?

a)

beide juist

b)

beide onjuist

c)

alleen 1 is juist

d)

alleen 2 is juist

59.

Een molecuul koolstofdioxide bij de mens wordt via de leverader afgevoerd en door een long uitgescheiden.


Door welke bloedvaten gaat dit molecuul in ieder geval?

a)

door een holle ader en een longslagader

b)

door een holle ader en een longader

c)

door een longslagader en de aorta

d)

door een longslagader en een longader

60.

De leverslagader wordt aangegeven met nummer?

a)

7

b)

15

c)

19

d)

14

61.
Wat is vertering?
a)
Energie in voedingsstoffen gebruiken om te bewegen
b)
Voedingsstoffen opnemen in het bloed
c)
Voedingsstoffen gebruiken om cellen te bouwen
d)
Voedingsstoffen klein maken zodat ze in het bloed kunnen worden opgenomen
62.
Welke rol spelen enzymen bij vertering?
a)
Ze knippen voedingsstoffen in kleine stukken
b)
Ze bouwen nieuwe cellen met de voedingsstoffen
c)
Ze brengen de voedingsstoffen uit je voedsel naar de organen
d)
Ze gebruiken de energie in voedingsstoffen
63.
Elza doet onderzoek naar enzymen in wasmiddel bij 25 graden celsius. 
In de afbeelding zie je twee enzymen waar Elza uit kan kiezen, enzym A en enzym B om haar wasmiddel te verbeteren. Welke moet zij kiezen?
a)
Enzym A
b)
Enzym B
64.
In de longblaasjes vindt gaswisseling plaats.   Welke zinnen beschrijven wat er gebeurt bij deze gaswisseling?  
1 Zuurstof gaat vanuit het bloed naar de lucht in de longblaasjes.
 
2 Zuurstof gaat vanuit de lucht in de longblaasjes naar het bloed.
 
3 Koolstofdioxide gaat vanuit het bloed naar de lucht in de longblaasjes.
 
4 Koolstofdioxide gaat vanuit de lucht in de longblaasjes naar het bloed.
a)
Zin 1 en 2
b)
Zin 1 en 3
c)
Zin 2 en 3
d)
Zin 2 en 4
65.
Kim veegt de schuur, hierbij ontstaan grote stofwolken. Kan zij het beste door haar mond of door haar neus ademhalen?
a)
Mond
b)
Neus
66.
Welk van de onderstaande stellingen zijn onjuist?
1. Bloedplasma bestaat uit bloedcellen.
2. In rode bloedcellen zit hemoglobine.
3. Bloed is rood door hemoglobine.
4. Witte bloedcellen vervoeren koolstofdioxide
a)
1 en 2 zijn onjuist
b)
2 en 3 zijn onjuist
c)
3 en 4 zijn onjuist
d)
1 en 4 zijn onjuist
67.
Jet en Anne bekijken een afbeelding van een bloedvat zonder kleppen, maar met een gespierde wand.  
Jet zegt: 'Het bloedvat is een slagader want het heeft een gespierde wand.'
 
Anne zegt: 'Het is een ader, want er ontbreken kleppen.'
 
Wie heeft of wie hebben gelijk?
a)
Jet
b)
Anne
c)
Jet en Anne
d)
Geen van beide
68.
De hartkleppen gaan open en de slagaderkleppen gaan dicht, tijdens
a)
Het samentrekken van de boezems
b)
Het samentrekken van de kamers
c)
De hartpauze
69.
Via de armslagaders komt er bloed in je armen en handen. Bij welke bloedsomloop horen de armslagaders? 
a)
Grote bloedsomloop
b)
Kleine bloedsomloop
c)
Grote en kleine bloedsomloop
70.
Wat is lymfe?
a)
Lymfe is hetzelfde als weefselvloeistof
b)
Vloeistof die uit de lymfevaten de weefsels in gaat
c)
Weefselvloeistof met rode bloedcellen
d)
Weefselvloeistof die in de lymfevaten is gestroomd
71.
Juist of onjuist?
Lymfeknopen zwellen op bij het bestrijden van ziekteverwekkers
a)
Juist
b)
Onjuist
72.
Juist of onjuist?
Lymfe komt voor tussen de cellen en in de lymfevaten
a)
Juist
b)
Onjuist
73.
Het bloed in bloedvat C heeft
a)
een hoge bloeddruk
b)
een lage bloeddruk
74.
Bloedvat B brengt het bloed
a)
van het hart af
b)
naar het hart toe
75.
Welke figuren geven de oorzaak van spataderen aan?
a)
de bovenste rij
b)
de onderste rij
c)
geen van beide rijen