wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

dfgh

Total questions: 70

Worksheet time: 2hrs 31mins

Name
Class
Date
1.

Bij de ordening van de organisme wordt gebruik gemaakt van vier rijken. Welke zijn dat?

a)

Planten

b)

Geleedpotigen

c)

Dieren

d)

Bacteriën

e)

Schimmels

2.

In de afbeelding zie je een dier. Tot welk rijk, welke stam en welke klasse behoort dit organisme?

a)

Rijk: dieren, Stam: geleedpotigen en Klasse: insecten

b)

Rijk: dieren, Stam gewervelden en Klasse: zoogdieren

c)

Rijk: dieren, Stam: gewervelden en Klasse: insecten

d)

Rijk: dieren, Stam: geleedpotigen en Klasse: kreeftachtigen

3.

In de afbeelding kun je een cel zien. Tot welk rijk behoort een organisme met dit soort cellen?

(a)  

4.

Weekdieren leven alleen in het water.

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Bij de bereiding van brood worden schimmels gebruikt.

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Er zijn drie stammen van sporenplanten.

a)

Waar

b)

Niet waar

7.

Bij bedektzadigen komen vruchten voor.

a)

Waar

b)

Niet waar

8.

Stekelhuidigen zijn veelzijdig symmetrisch.

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

In de afbeelding kun je een deel van een plant zien. Tot welke stam behoord deze plant?

a)

Tot de mossen

b)

Tot de varens

c)

Tot de zaadplanten

d)

Tot de paardenstaarten

10.

Waar komen amfibieën voor?

a)

Op het land

b)

In de lucht

c)

In het water

11.

Onder welke stam valt het organisme in de afbeelding?

(a)  

12.

In de afbeelding kun je een stamboom zien van dieren. Ouasim en Kim doen een uitspraak over deze stamboom.

Ouasim: "De tandwalvissen en de baleinwalvissen behoren tot dezelfde soort."

Kim: "De zwijnen en pekari's zijn familie van elkaar."

Wie heeft/hebben er gelijk?

a)

Alleen Ouasim

b)

Alleen Kim

c)

Beide hebben gelijk

d)

Niemand heeft gelijk

13.

Hieronder staan enkele kenmerken die voorkomen bij organisme:

1) Elke cel heeft bladgroenkorrels.

2) Elke cel heeft een celwand.

3) Elke cel heeft een celkern.

Welke kenmerken komen voor bij dieren?

a)

Alleen kenmerk 1

b)

Alleen kenmerk 2

c)

Alleen kenmerk 3

d)

Kenmerken 1 en 2

e)

Kenmerken 2 en 3

14.

Welke kenmerken heeft een bacterie cel?

(a)  

15.

Een bacterie deelt zich zelf elke 30 minuten. Dat betekent dat als we beginnen met een bacterie dan er na 30 minuten 2 bacteriën zijn en na 60 minuten (1 uur) zijn er 4.

Hoeveel bacteriën zijn er na 4 uur?

(a)  

16.

Benoem twee kenmerken van een schimmel.

4 lines
17.

In de afbeelding zie je een organisme. Welke uitspraken kloppen?

a)

Deze schimmel is meercellig.

b)

Deze schimmel plant zich voor door middel van sporen.

c)

Deze schimmel is eencellig.

d)

Dit is geen schimmel.

18.

Welk dier is niet-symetrisch?

a)

Kwal

b)

Slak

c)

Gele buis spons

d)

Zee-egel

19.

In de afbeelding zie je een dier. Wat voor skelet heeft dit dier?

a)

Een inwendig skelet.

b)

Een uitwendig skelet.

c)

Geen skelet.

20.

Wat voor soort eieren legt een kip?

a)

Eieren zonder schaal.

b)

Eieren met een leerachtige schaal.

c)

Eieren met een kalk schaal.

d)

Een kip legt geen eieren.

21.

Welke stappen moet je door lopen in dit determinatie schema om bij de Kievit te komen?

(a)  

22.

De kruisspin in de afbeelding is veelzijdig symmetrisch

a)

waar

b)

niet waar

23.

In de afbeelding is een oester te zien. Tot welke stam van het dierenrijk behoort een oester?

a)

Geleedpotigen

b)

Neteldieren

c)

Stekelhuidigen

d)

Weekdieren

24.

Tot welke stam van het dierenrijk behoort dit dier?

a)

Neteldieren

b)

Sponsdieren

c)

Stekelhuidigen

d)

Weekdieren

25.

Bij een bepaald rijk hebben de organismen de volgende kenmerken:

– om de cellen geen celwanden.

– in elke cel zit een kern.

– in de cellen komen geen bladgroenkorrels voor.

Bij welk rijk hebben de organismen deze kenmerken?

Bij het rijk van de

a)

Bacteriën

b)

Dieren

c)

Planten

d)

Schimmels

26.

In welke hoofdgroepen kan je al het leven indelen?

a)

Prokaryoot en Eukaryoot

b)

Bacteriën en Archaea

c)

Planten en Dieren

27.

Wat is de juiste volgorde?

a)

stammen

rijken

orden

klassen

b)

rijken

stammen

klassen

orden

c)

orden

rijken

klassen

stammen

d)

rijken

orden

klassen

stammen

28.

Welke kenmerken horen bij bacteriën en archaea?

a)

wel celwand

geen celkern

b)

geen celwand

wel celkern

c)

wel celwand

wel celkern

d)

geen celwand

geen celkern

29.

Welke kenmerken horen bij planten en schimmels?

a)

wel celwand

geen celkern

b)

geen celwand

wel celkern

c)

geen celwand

geen celkern

d)

wel celwand

wel celkern

30.

Zijn prokaryoten altijd eencellige?

a)

Ja

b)

Nee

31.

Zijn dieren altijd meercellige?

a)

Ja

b)

Nee

32.

Welk kenmerk hebben gewervelden allemaal?

a)

Een inwendig skelet van kalk

b)

Leggen eieren met een schaal

c)

Hebben een huid met een vacht

d)

Hebben allemaal een skelet met een ruggengraat

33.

Welk dier hoort bij de geleedpotigen?

a)
b)
c)
d)
34.
Waar of niet waar? Een wants (zie het plaatje) is tweezijdig symmetrisch.
a)
Waar
b)
Niet waar
35.

Een kwal is veelzijdig symmetrisch

a)

Juist

b)

Onjuist

36.

Een kokkel (zie afbeelding) hoort tot de weekdieren

a)

Juist

b)

Onjuist

37.

Bij welke groep van het dierenrijk hebben de dieren een uitwendig skelet?

a)

Geleedpotigen

b)

Gewervelden

c)

Wormen

d)

Stekelhuidigen

38.

Kijk goed naar de afbeelding. Welk type cellen is dit?

a)

dieren

b)

planten

c)

schimmels

d)

bacteriën

39.

Stekelhuidigen zijn veelzijdig symmetrisch.

a)

Waar

b)

Niet waar

40.

Hieronder staan enkele kenmerken die voorkomen bij organisme:

1) Elke cel heeft bladgroenkorrels.

2) Elke cel heeft een celwand.

3) Elke cel heeft een celkern.

Welke kenmerken komen voor bij dieren?

a)

Alleen kenmerk 1

b)

Alleen kenmerk 2

c)

Alleen kenmerk 3

d)

Kenmerken 1 en 2

e)

Kenmerken 2 en 3

41.

Welk dier is niet-symetrisch?

a)

Kwal

b)

Slak

c)

Gele buis spons

d)

Zee-egel

42.

In de afbeelding zie je een dier. Wat voor skelet heeft dit dier?

a)

Een inwendig skelet.

b)

Een uitwendig skelet.

c)

Geen skelet.

43.

Dieren hebben celwanden om de cellen

a)

Juist

b)

Onjuist

44.

De stekelhuidigen hebben een inwendig skelet met een wervelkolom

a)

Juist

b)

Onjuist

45.
Welk dier heeft geen inwendig skelet?
a)
Ezel
b)
Kip
c)
Salamander
d)
Schorpioen
46.
Welk dier is veelzijdig symmetrisch
a)
Zeekomkommer
b)
Zeebaars
c)
Zeester
d)
Dolfijn
47.
Het huisje van een huisjesslak is een voorbeeld van een...
a)
Inwendig skelet
b)
Beschermend skelet
c)
Hard skelet
d)
Uitwendig skelet
48.
Waarom leven de meeste dieren zonder skelet onder water?
a)
Deze dieren kunnen niet tegen de lucht.
b)
De dieren hebben kieuwen
c)
De dieren hebben geen skelet nodig.
d)
Deze dieren hebben geen stevigheid nodig, omdat alles zweeft onder water.
49.
Dit is een gordeldier. Een gordel dier heeft een ..1.. en is daarom een ...2...
a)
Inwendig skelet - geleedpotigen
b)
Inwendig skelet - gewervelden
c)
Uitwendig skelet - geleedpotigen
d)
Uitwendig skelet - worm
50.

Dieren met een Uitwendig skelet zijn:

(Selecteer meerdere)

a)

Vissen

b)

Mossels

c)

Honden

d)

Krabben

e)

Slakken

51.

Dieren met een inwendig skelet zijn:

(Selecteer meerdere)

a)

Vissen

b)

Mensen

c)

Honden

d)

Slangen

e)

Slakken

52.

In de afbeelding zie je een wants. Deze is:

a)

Tweezijdig symmetrisch

b)

Niet-symmetrisch

c)

Veelzijdig symmetrisch

53.

Tot welk STAM behoort onderstaand organisme?

a)

Sponzen

b)

Neteldieren

c)

Gewervelden

d)

Weekdieren

e)

Geleedpotigen

54.

Tot welke STAM behoort het dier in de afbeelding?

a)

Wormen

b)

Weekdieren

c)

Neteldieren

d)

Stekelhuidigen

55.

Tot welke STAM behoort de kreeft?

a)

Gewervelden

b)

Kreeftachtigen

c)

Geleedpotigen

d)

Stekelhuidigen

56.

Tot welke STAM behoort het dier in de afbeelding?

a)

Weekdieren

b)

Neteldieren

c)

Stekelhuidigen

d)

Sponzen

e)

Gewervelden

57.

Een pekinees en een Deense dog zijn twee hondenrassen.


Mirjam zegt: Ze kunnen samen vruchtbare nakomelingen krijgen

Wim zegt: Ze behoren tot verschillende soorten


Wie heeft gelijk?

a)

Alleen Mirjam

b)

Alleen Wim

c)

Beiden hebben gelijk

d)

Beiden hebben géén gelijk

58.

Aan welke groep zijn de gorilla’s het meest verwant volgens de stamboom?

a)

aan de apen van de oude wereld

b)

aan de apen van de nieuwe wereld

c)

aan de chimpansees

d)

aan de gibbons

59.

Door middel van DNA kan worden na gegaan of twee dieren verwant zijn en dus dezelfde voorouder hebben.

a)

juist

b)

onjuist

60.
a)

Haaien zijn eerder ontstaan dan beenvissen

b)

Beenvissen zijn meer verwant aan haaien dan aan amfibieën

c)

Amfibieën zijn een voorouder van zoogdieren

d)

Reptielen en vogels hebben een gemeenschappelijke voorouder

61.

In het onderzoek werden onder andere baleinwalvissen, dwergherten, giraffen, kamelen en zwijnen betrokken. Tussen welke twee van deze diergroepen komt het DNA het minst overeen?

a)

tussen baleinwalvissen en giraffen

b)

tussen zwijnen en baleinwalvissen

c)

tussen zwijnen en giraffen

d)

tussen kamelen en baleinwalvissen

62.

De wetenschappelijke naam van de buizerd is Buteo lagopus.

Drie andere vogels zijn: Buteo rufinus, Lagopus mutus en Lagopus lagopus.

Welke van deze drie vogels is het nauwst verwant met Buteo lagopus?

a)

Lagopus lagopus

b)

Buteo rufinus

c)

Lagopus mutus

63.

Smal waterweegbree (Alisma gramineum) en slank waterweegbree (Alisma lanceolatum) zijn van de/hetzelfde

a)

ras

b)

soort

c)

geslacht

d)

familie

64.

In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder. Vogels eten daardoor slakken met lichte huisjes eerder op dan die met donkere. Na een paar generaties blijken er in die populatie bijna geen slakken met lichte huisjes meer te zijn. Is er in deze populatie sprake van selectie?

a)

Nee

b)

Ja, van kunstmatige selectie

c)

Ja, van seksuele selectie

d)

Ja, van natuurlijke selectie

65.

Bekijk de afbeelding. Welke groep dieren is het oudste: de oervogel, het vogelachtig kruipend dier of de eerste krokodillen?

a)

de oervogel

b)

het vogelachtig kruipend dier

c)

de eerste krokodillen

66.
Pim heeft een broertje Thijs en een zusje Anna.  Hebben Pim, Thijs en Anna hetzelfde DNA? 
a)
juist
b)
onjuist
67.

Welke dieren behoren tot de ongewervelde dieren?

a)

stekelhuidigen

b)

weekdieren

c)

reptielen

d)

wormen

e)

vogels

68.

Welke twee zinnen zijn voorbeelden van het evolutie begrip variatie?

a)

Slakkenhuisjes met elk een andere kleur

b)

Het patroon van het haar van een kat

c)

Het verschil tussen de skeletten van een mens en een aap

d)

Een mannelijk en vrouwelijk organisme van de zelfde soort

69.
Waar of niet waar? Een wants (zie het plaatje) is tweezijdig symmetrisch.
a)
Waar
b)
Niet waar
70.

Welk dier hoort bij de geleedpotigen?

a)
b)
c)
d)