wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenen RTTI

Total questions: 65

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.
Wat is een andere naam voor het ‘op naam brengen’ van een organisme?
a)
Determineren
b)
Nomenclatuur
c)
Benoemen
d)
Stamboom
2.
Waar of niet waar? Een wants (zie het plaatje) is tweezijdig symmetrisch.
a)
Waar
b)
Niet waar
3.
Wat is het verschil tussen zaden en sporen?
a)
Er is geen verschil
b)
Sporen zijn groter dan zaden
c)
Zaden hebben reservevoedsel en sporen niet
d)
Sporen hebben reservevoedsel en zaden niet
4.
Welk dier heeft geen inwendig skelet?
a)
Ezel
b)
Kip
c)
Salamander
d)
Schorpioen
5.
Welk dier is veelzijdig symmetrisch
a)
Zeekomkommer
b)
Zeebaars
c)
Zeester
d)
Dolfijn
6.
Wat is de functie van het skelet van een dier?
a)
Stevigheid en beweging
b)
Stevigheid en bescherming
c)
Bescherming en verdediging
d)
Bescherming en camouflage
7.
Het huisje van een huisjesslak is een voorbeeld van een...
a)
Inwendig skelet
b)
Beschermend skelet
c)
Hard skelet
d)
Uitwendig skelet
8.
Dit is een gordeldier. Een gordel dier heeft een ..1.. en is daarom een ...2...
a)
Inwendig skelet - geleedpotigen
b)
Inwendig skelet - gewervelden
c)
Uitwendig skelet - geleedpotigen
d)
Uitwendig skelet - worm
9.

Dieren met een Uitwendig skelet zijn:

(Selecteer meerdere)

a)

Vissen

b)

Mossels

c)

Honden

d)

Krabben

e)

Slakken

10.

Dieren met een inwendig skelet zijn:

(Selecteer meerdere)

a)

Vissen

b)

Mensen

c)

Honden

d)

Slangen

e)

Slakken

11.

Deze vermeerdering van cellen hoort bij welk rijk?

a)

Schimmels

b)

Bacteriën

c)

Planten

d)

Mensen

12.
Welk dier is een zoogdier?
a)
mus
b)
krab
c)
hond
d)
pladijs
13.
Hoeveel poten heeft een spin?
a)
2
b)
4
c)
6
d)
8
14.
Welk dier leeft niet in water?
a)
stokstaartje
b)
kwal
c)
paling
d)
orka
15.

Welke STAM is het grootst in het dierenrijk wat betreft het aantal diersoorten?

a)

Gewervelden

b)

Geleedpotigen

c)

Neteldieren

d)

Stekelhuidigen

16.

Tot welke STAM van het dierenrijk behoort het dier in de afbeelding?

a)

Stekelhuidigen

b)

Zoogdieren

c)

Gewervelden

d)

Weekdieren

17.

Welke uitspraak is waar over het dier in de afbeelding?

a)

Dit dier is niet-symmetrisch

b)

Dit dier behoort tot de stekelhuidigen

c)

Dit dier heeft geen skelet

18.

Tot welk STAM behoort onderstaand organisme?

a)

Sponzen

b)

Neteldieren

c)

Gewervelden

d)

Weekdieren

e)

Geleedpotigen

19.

Tot welke groep (klasse) behoort het dier in de afbeelding

a)

Insecten

b)

Spinachtigen

c)

Geleedpotigen

d)

Dieren

20.

Tot welke STAM behoort de onderstaande kwal?

a)

Sponzen

b)

Weekdieren

c)

Neteldieren

d)

Stekelhuidigen

e)

Geleedpotigen

21.

Tot welke STAM behoort het dier in de afbeelding?

a)

Weekdieren

b)

Neteldieren

c)

Stekelhuidigen

d)

Sponzen

e)

Gewervelden

22.

Een krokodil is veelzijdig symmetrisch

a)

Juist

b)

Onjuist

23.

Hieronder staan 4 antwoorden. Welk antwoord is een stam.

a)

Dieren

b)

Zoogdieren

c)

Geleedpotigen

d)

Planten

24.

Welk antwoord is een rijk

a)

Planten

b)

Sporenplanten

c)

Gewervelden

d)

Vissen

25.

Wat is geen functie van het skelet?

a)

Stevigheid

b)

Geeft vorm

c)

Zorgt voor hardheid

d)

Bescherming

26.
Bevatten de botten van een baby (in verhouding) meer lijmstof of kalkstof?
a)
Lijmstof
b)
Kalkstof
27.

Welke organen worden door de ribbenkast beschermd?

a)

Hart en maag

b)

Longen en blaas

c)

Hart en longen

d)

Darmen en lever

28.
Oudere mensen breken hun botten sneller dan jonge mensen
a)
juist
b)
onjuist
29.
Kraakbeen komt voor in de neus
a)
Juist
b)
onjuist
30.
Met welk nummer wordt het borstbeen aangegeven?
a)
Nummer 3
b)
Nummer 4
c)
Nummer 5
d)
Nummer 6
31.
In de loop van je leven:
a)
komen er minder kalkzouten in je botten
b)
komt er minder lijmstof in je botten
c)
blijft de hoeveelheid kalkzouten en lijmstof gelijk.
d)
komt er meer lijmstof in je botten
32.
Het kuitbeen wordt aangegeven met nummer
a)
Nummer 13
b)
Nummer 14
c)
Nummer 15
33.

Welke beenderen vormen het bekken of de bekkengordel?

a)

De heupbeenderen en het heiligbeen

b)

De heupbeenderen en het staartbeen

c)

Het heiligbeen en het staartbeen

d)

Het heiligbeen en de lendewervels

34.

Welke beenderen vormen de borstkas?

a)

De wervelkolom en de ribben

b)

De borstwervels, de ribben en het borstbeen

c)

De ribben, het borstbeen en de sleutelbeenderen

d)

De borstwervels en de sleutelbeenderen

35.

Welke beenderen vormen samen de schoudergordel?

a)

Schouderbladen en de sleutelbeenderen

b)

De schouderbladen en de ribben

c)

De sleutelbeenderen en de ribben

d)

De sleutelbeenderen en de borstwervels

36.
de hersenen worden beschermt door de
a)
ribben
b)
schedelbeenderen
c)
scheenbeen
d)
sleutelbeen
37.
wat zijn de bestanddelen van bot
a)
lijmstof
b)
kalkstof
c)
lijmstof en kalkstof
d)
secondelijm
38.
Wat is GEEN functie van het skelet?
a)
Bescherming
b)
Vorm
c)
Beweging
d)
Verteren
39.

Hoe heten de ruimten tussen de schedelbeenderen van een baby?

a)

Frikadellen

b)

Fontanellen

c)

Filamenten

d)

Fotonellen

40.
Welk type gewricht zit er tussen het opperarmbeen en de onderarm?
a)
Scharniergewricht
b)
Rolgewricht
c)
Kogelgewricht
41.
Met welke type beenverbinding zijn de wervels met elkaar verbonden?
a)
Gewrichten
b)
Kraakbeen
c)
Scharniergewricht
42.
Nummer 2 is de?
a)
gewrichtskogel
b)
gewrichtskom
c)
gewrichtssmeer
d)
kraakbeenlaagje
43.
Welk onderdeel zorgt voor bescherming tegen slijtage?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
44.
Welk type beenverbinding is hier afgebeeld?
a)
Gewricht
b)
Kraakbeenverbinding
c)
Vergroeiing
d)
Naadverbinding
45.
Welk type gewricht zit er tussen het opperarmbeen en de onderarm?
a)
Scharniergewricht
b)
Rolgewricht
c)
Kogelgewricht
46.
Wat is je borstkas
a)
ribben + been + schedel
b)
borstbeen + been + ribben
c)
ribben + borstwervels + borstbeen
d)
borstwervels + ribben + been
47.
Kalk lost op in zoutwater
a)
Juist
b)
Onjuist
48.

Deze persoon heeft haar gewrichtskapsel te ver uitgerekt. Dit noemen wij een ................................

a)

Kneuzing

b)

Verstuiking

c)

Voetbalknie

d)

Spierscheuring

e)

Ontwrichting

49.

De botten van een bejaarde en van een kind worden vergeleken op breekbaarheid en buigzaamheid.

De botten van een kind zijn:

a)

breekbaarder en buigzamer

b)

breekbaarder en minder buigzaam

c)

minder breekbaar en buigzamer

d)

minder breekbaar en minder buigzaam

50.
Bij welk type gewricht is beweging in verschillende richtingen mogelijk?
a)
kogelgewricht
b)
schaniergewricht
51.
Kraakbeen komt voor in de neus
a)
Juist
b)
onjuist
52.
Wat voor vorm moet je wervelkolom hebben bij een juiste houding?
a)
Rechte-I-vorm
b)
Dubbele-I-vorm
c)
Enkele-S-vorm
d)
Dubbele-S-vorm
53.

Een giraffe is een...

a)

zoolganger

b)

teenganger

c)

topganger

54.
In welke 4 rijken wordt de levende natuur ingedeeld?
a)
bacteriën - zwammen - planten - vissen
b)
virussen - bacteriën - champignonnen - zwammen
c)
eencelligen - tweecelligen - driecelligen - viercelligen
d)
bacteriën - schimmels - planten - dieren 
55.
Welke cel heeft geen celkern?
a)
een bacterië 
b)
een schimmel
c)
een plant
d)
een dier
56.
Wat is de functie van de celkern?
a)
geeft volume aan de cel
b)
geeft stevigheid aan de cel 
c)
regelt de gebeurtenissen in de cel 
d)
heeft geen doel
57.
Waarvoor zorgen de bladgroenkorrels in de cellen van planten?
a)
ze hebben geen doel
b)
voor het vasthouden van vocht 
c)
 voor de steun van de plant
d)
voor de groene kleur
58.
Welke cel is de enige cel zonder celwand en met alleen een celmembraan?
a)
een bacterie
b)
een schimmel
c)
een plant
d)
een dier
59.
Welke functie hebben schimmels en bacteriën allebei?
a)
het vormen van bladgroen
b)
het doorgeven van informatie
c)
het opruimen van dode resten
d)
het vormen van sporen
60.
Welke ziekte kan je krijgen van schadelijke bacteriën?
a)
griep
b)
cholera
61.
Welk type beenverbinding is zeer beweeglijk?
a)
Kraakbeenverbinding
b)
Gewrichten
c)
Naadverbinding
d)
Vergroeiing
62.
Bevatten de botten van een baby (in verhouding) meer lijmstof of kalkstof?
a)
Lijmstof
b)
Kalkstof
63.
Hoe noem je twee spieren die de tegenovergestelde beweging van elkaar maken?
a)
Tegenstanders
b)
Anti-spieren
c)
Opponenten
d)
Antagonisten
64.
Oudere mensen breken hun botten sneller dan jonge mensen
a)
juist
b)
onjuist
65.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje? 
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
d)
zadelgewricht