wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bloedsomloop en afweersysteem

Total questions: 70

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

Waaruit bestaat het bloedvatenstelsel van de mens?

a)

hart

b)

hersenen

c)

bloedvaten

d)

zenuwen

2.

Waar gaat de grote bloedsomloop naar toe?

a)

alle organen van het lichaam

b)

de longen

c)

de hersenen

3.

Wat haalt de kleine bloedsomloop op?

a)

Koolstofdioxide ( CO2)

b)

zuurstof

c)

hemoglobine

d)

stikstof

4.

Waar komt het bloed het hart binnen?

a)

in de boezems

b)

in de kamers

5.

Welke helft van het hart bevat bloed met veel zuurstof?

a)

rechterhelft

b)

linkerhelft

6.

Hoe heet de grote lichaamsslagader?

a)

longslagader

b)

aorta

c)

holle ader

d)

longader

7.

Is de longslagader zuurstofrijk of zuurstofarm?

a)

zuurstofrijk

b)

zuurstofarm

8.

Hoe heet het bloedvat van de longen naar het hart?

a)

holle ader

b)

longslagader

c)

aorta

d)

longader

9.

Wat is de functie van hartkleppen?

a)

zorgen ervoor dat het bloed sneller stroomt

b)

zorgen ervoor dat het bloed niet terug kan stromen

c)

zorgt ervoor dat het bloed niet kan klonteren

10.

Hoe noemen we deze kleppen?

a)

hartkleppen

b)

halvemaanvormige kleppen

11.

Hoe noemen we deel 2?

a)

longslagader

b)

longader

c)

aorta

d)

holle ader

12.

Hoe noemen we nummer 13?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

13.

Hoe noemen we nummer 1?

a)

longslagader

b)

aorta

c)

holle ader

d)

longader

14.

Met welk nummer is een slagader aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

15.

Wat is dit voor een bloedvat?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

16.

Waar worden zuurstof en voedingsstoffen afgegeven aan het bloed?

a)

slagaders

b)

aders

c)

haarvaten

17.

Welke slagader bevat weinig zuurstof?

a)

aorta

b)

longslagader

18.

In welk bloedvat is de bloeddruk hoog?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

19.

Welke wand is het dunst?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

20.
Op deze afbeelding zie je
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
21.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
22.
De draden waar bij een wondje een korstje van komt worden gemaakt door
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
23.
De vloeistof die nu boven in de buis zit, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
24.
waar bestaat bloed uit?
a)
bloedplasma, bloedcellen en bloedplaatjes
b)
bloedplasma, lymfevloeistof, witte bloedcellen
c)
bloedplasma, bloedcellen, mineralen
d)
zuurstof, koolstofdioxide, bloedplasma
25.
In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedpaatjes
d)
Bloedplasma
26.
Bij welke  aandoening heb je een bloedstolsel binnen een bloedvat, zoals bijvoorbeeld in je been?
a)
Hartinfarct
b)
Trombose
c)
Bloedarmoede
d)
aderverkalking
27.
Witte bloedcellen hebben een celkern en kunnen van vorm veranderen
a)
Juist
b)
Onjuist
28.
Wat is etter of pus?
a)
Dode rode bloedcellen en kapotte bloedplaatjes
b)
Dode rode- en witte bloedcellen
c)
Dode witte bloedcellen en gedode bloedplaatjes
d)
Dode witte bloedcellen en gedode bacteriën
29.
Wat heeft een celkern?
a)
Rode bloedcel
b)
Witte bloedcel
c)
Bloedplaatje
30.
Wat is JUIST als het om slagaders gaat?
a)
Er stroomt altijd zuurstofrijk bloed door.
b)
Bloed stroomt altijd van het hart af.
c)
Bloed is altijd helderrood dat hier doorheen stroomt.
d)
Je hebt er maar 4 van in je lichaam.
31.

Welke delen van ons lichaam houden ziekteverwekkers tegen?

a)

huid

b)

slijmvlies in luchtwegen

c)

ogen

d)

zoutzuur in darmsap

e)

haartjes

32.
Hoe heet onderdeel 1
a)
Linkerboezem
b)
Llinkerkamer
c)
Rechterboezem
d)
Rechterkamer
33.
Hoe heet onderdeel 3
a)
aorta
b)
bovenste holle ader
c)
onderste holle ader
d)
kransslagader
34.
Met welke nummer wordt  linkerkamer aangeven?
a)
7
b)
9
c)
10
d)
12
35.
Met welke nummer word de longslagader aangeven?
a)
2
b)
4
c)
5
d)
6
36.

waar of niet waar?

kan iemand met bloedgroep A antigenen B hebben

a)

waar

b)

niet waar

37.

Wat bepaalt een bloedgroep?

a)

De antigenen op de witte bloedcellen

b)

De antigenen op de rode bloedcellen

c)

De antistoffen die je aanmaakt

d)

Er is maar 1 soort bloed

38.

Wat gebeurt er als je de verkeerde bloedgroep krijgt bij een transfusie?

a)

Niks

b)

Rode bloedcellen klonteren

c)

Rode bloedcellen barsten

d)

Witte bloedcellen klonteren

39.

Je huid hoort bij het afweersysteem. Wat doet de huid?

a)

De huid houdt bacteriën tegen

b)

De huid doodt bacteriën

40.
Wat zit er in een vaccin?
a)
Medicijnen
b)
Antistoffen
c)
Verzwakte ziekteverwekkers
d)
Goede bacteriën
41.

Immuniteit voor een bepaalde ziekteverwekker komt tot stand door een bepaald soort witte bloedcellen. Hoe heten deze witte bloedcellen?

a)

gedragscellen

b)

gedesensibiliseerde cellen

c)

geheugencellen

d)

macrofagen

42.

Actieve natuurlijke immuniteit is:

a)

het doormaken van een ziekte

b)

via de placenta antistoffen van moeder op kind doorgeven

c)

een vaccin toedienen

d)

een antiserum toedienen

43.

Natuurlijke passieve immuniteit is:

a)

en ziekte doormaken

b)

d.m.v.v. borstvoeding antistoffen aan de baby doorgeven

c)

een vaccin toedienen

d)

een antiserum toedienen

44.

Kunstmatige passieve immuniteit is:

a)

een ziekte doormaken

b)

via moedermelk antistoffen doorgeven aan de baby

c)

een vaccin toedienen

d)

een antiserum toedienen

45.

Wat zijn veel voorkomende bronnen van infecties?

a)

Virussen

b)

Parasieten

c)

Micro-organismen

d)

Alle antwoorden

46.

Juist of onjuist: schimmels en gisten, protozoën en bacteriën zijn micro-organismen.

a)

Juist

b)

Onjuist

47.

Via welke besmettingsweg wordt salmonella voornamelijk overgedragen?

a)

Aërogeen

b)

Enteraal

c)

Cutaan

d)

Hematogeen

48.

Hoe wordt een lokale ontsteking met vochtafzetting in de directe omgeving genoemd?

a)

Catarre

b)

Infiltraat

c)

Necrose

d)

Gastro-enteritis

49.

Bij kruisbesmetting geven 2 mensen de besmetting rechtstreeks aan elkaar door?

a)

ja

b)

nee

50.

De tijd tussen de besmetting en de eerste merkbare ziekteverschijnselen noemt de (a)   tijd. (één woord invullen)

51.

Bij steriele materialen zijn ...

a)

de meeste ziektekiemen gedood

b)

enkel de mogelijke ziekteverwekkers gedood

c)

alle ziektekiemen gedood

d)

enkel de gevaarlijkste ziektekiemen gedood

52.

Virussen kunnen lang overleven buiten het lichaam van een gastheer

a)

juist

b)

fout

53.

Wat doet LDL-cholesterol?

a)

Vervoert cholesterol naar de lever.

b)

Vervoert cholesterol naar de pancreas.

c)

Vervoert cholesterol naar alle delen van het lichaam.

d)

Vervoert cholesterol naar de dunne darm.

54.

Bij welke ziekte krijgt het hart niet voldoende zuurstof? Deze ziekte wordt ook wel hartkramp genoemd.

a)

Angina pectoris

b)

Hartinfarct

c)

Arteriosclerose

d)

Beroerte

55.

Wat hoort NIET onder een CVA?

a)

Hartinfarct

b)

Herseninfarct

c)

Hersenbloeding

d)

TIA

56.

Wat is systolische druk?

a)

Bovendruk

b)

Onderdruk

c)

bloeddruk

57.

Wanneer is je bloeddruk te hoog?

a)

bovendruk hoger dan 140 mmHg

b)

bovendruk hoger dan 120 mmHg

c)

onderdruk hoger dan 80 mmHg

d)

onderddruk hoger dan 60 mmHg

58.

Welke klachten kunnen er optreden bij een te lage bloeddruk?

a)

zweten

b)

kortademig

c)

duizeligheid

d)

misselijk

59.

Wat zie je op de afbeelding?

a)

Handmatige bloeddruk meter

b)

Automatische bloeddruk meter

60.

Als het hart klopt met een frequentie van 100 slagen per minuut dan noem je het?

a)

Bradycardie

b)

Tachycardie

61.

Wat is het goede cholesterol?

a)

LDL

b)

HDL

62.

Een ontsteking van het hartzakje is een?

a)

Pericarditis

b)

Endocarditis

c)

Myocarditis

d)

Meningitis

63.

Een gevolg van linker hartfalen is longoedeeem.

Waar of niet waar.

a)

Waar

b)

Niet waar

c)

Dit geldt alleen voor knaagdieren

d)

Bij mijn vriend wel

64.

Als je een TIA hebt gehad, heb je geen verhoogde kans op een beroerte

a)

Juist

b)

Onjuist

65.

Welke CVA komt het vaakst voor?

a)

Herseninfarct

b)

Hersenbloeding

c)

TIA

d)

Subarachnoïdale bloeding

66.

Apraxie is

a)

moeite met taal

b)

Moeite met spreken

c)

Moeite met lezen

d)

Moeite met doelbewuste handelingen

67.

Een van de symptomen van CVA kan een volledige verlamming zijn

a)

Juist

b)

Onjuist

68.

De symptomen van een cva zijn voor iedere patiënt hetzelfde

a)

Juist

b)

Onjuist

69.

Heeft iemand met overgewicht meer kans op een hartinfarct dan iemand met een normaal gewicht?

a)

ja

b)

nee

70.
Waarvan heeft iemand met "claudicatio intermittens" last van?
a)
hartkloppingen
b)
migraine
c)
jeuk
d)
etalagebenen