wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bloedsomloop bs 1 + 2

Total questions: 63

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.
Op deze afbeelding zie je
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
2.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
3.
De draden waar bij een wondje een korstje van komt worden gemaakt door
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
4.
De cel die midden in deze afbeelding ligt, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
5.
De vloeistof die nu boven in de buis zit, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
6.
Wat is de functie van bloedplaatjes
a)
bloedgroepen bepalen
b)
afweer
c)
Bloedstolling
d)
Zuurstof en CO2 vervoeren en opnemen
7.
waar bestaat bloed uit?
a)
bloedplasma, bloedcellen en bloedplaatjes
b)
bloedplasma, lymfevloeistof, witte bloedcellen
c)
bloedplasma, bloedcellen, mineralen
d)
zuurstof, koolstofdioxide, bloedplasma
8.
In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedpaatjes
d)
Bloedplasma
9.
Witte bloedcellen hebben een celkern en kunnen van vorm veranderen
a)
Juist
b)
Onjuist
10.
Bij welke  aandoening heb je een bloedstolsel binnen een bloedvat, zoals bijvoorbeeld in je been?
a)
Hartinfarct
b)
Trombose
c)
Bloedarmoede
d)
aderverkalking
11.
Wat is etter of pus?
a)
Dode rode bloedcellen en kapotte bloedplaatjes
b)
Dode rode- en witte bloedcellen
c)
Dode witte bloedcellen en gedode bloedplaatjes
d)
Dode witte bloedcellen en gedode bacteriën
12.
Wat heeft een celkern?
a)
Rode bloedcel
b)
Witte bloedcel
c)
Bloedplaatje
13.
De cellen in deze afbeelding zijn voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
14.
Rode Bloedcellen hebben een celkern en vervoeren zuurstof
a)
Juist
b)
Onjuist
15.
Bij bloedarmoede heb je..
a)
een te kort aan witte bloedcellen
b)
een te kort aan bloedplaatjes
c)
een te kort aan rode bloedcellen
d)
een te kort aan bloedplasma
16.

Hoe worden de grote en de kleine bloedsomloop genoemd?

a)

algemene bloedsomloop

b)

menselijke bloedsomloop

c)

dubbele bloedsomloop

17.

De dubbele bloedsomloop gaat bij een omloop 2 keer door ......

a)

de longen

b)

het hart

c)

de organen

d)

de hersenen

18.

Waar gaat de kleine bloedsomloop naar toe?

a)

de hersenen

b)

alle organen

c)

de longen

d)

de darmen

19.

Waar gaat de grote bloedsomloop naar toe?

a)

alle organen van het lichaam

b)

de longen

c)

de hersenen

20.

Wat haalt de kleine bloedsomloop op?

a)

Koolstofdioxide ( CO2)

b)

zuurstof

c)

hemoglobine

d)

stikstof

21.

Wat brengt de grote bloedsomloop naar alle cellen in het lichaam?

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide (CO2)

c)

voedingstoffen

d)

afvalstoffen

22.
Iemand heeft longontsteking hiertegen medicijnen. Via welke weg komen de geslikte medicijnen, na opnamen in het bloed, in de cellen van de longen terecht?
a)
Via de grote en de kleine bloedsomloop
b)
alleen via de kleine bloedsomloop
c)
Alleen via de grote bloedsomloop
d)
Niet via de kleine en via de grote bloedsomloop
23.
De stoffen zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide zitten in?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes 
d)
Bloedplasma
24.
Op welke plaats of plaatsen kan zuurstof  voorkomen?
a)
A en B
b)
B en C
c)
A en C
25.
Welk  bloedbestanddeel van de mens is het meest geschikt om voedingsstoffen te transporteren (vervoeren)?
a)
Rode bloedcellen
b)
Bloedplaatjes 
c)
Witte bloedcellen
d)
Bloedplasma
26.
Trombose is...
a)
een wondje dat niet stopt met bloeden
b)
een wondje dat is ontstoken
c)
een bloedpropje in een bloedvat
d)
een muziekinstrument
27.
Bloedplaatjes spelen een rol bij de bloedstolling
a)
Juist
b)
Onjuist
28.
De cellen met een paarse kern zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
29.
Hoe heten de systemen die voorkomen dat je ziek wordt?
a)
Genezen
b)
Afweersystemen
c)
Ziektepreventie
d)
Vaccineren
30.
Hoeveel liter bloed heeft een volwassen mens ongeveer?
a)
4 liter
b)
5 liter
c)
6 liter
d)
7 liter
31.
Hoe heet de rode kleurstof in de  rode bloedcel?
a)
Bloedplasma
b)
IJzer
c)
Hemoglobine
32.
Ziekteverwekkers worden gedood door ?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Bloedplasma
33.
Welke bloedcellen vervoeren zuurstof?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Bloedplasma
34.
Welke bloedcellen zijn onderdeel van het immuunsysteem?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Bloedplasma
35.

Waaruit bestaat het bloedvatenstelsel van de mens?

a)

hart

b)

hersenen

c)

bloedvaten

d)

zenuwen

36.

Welke helft van het hart bevat bloed met veel zuurstof?

a)

rechterhelft

b)

linkerhelft

37.

Hoe groot is ons hart?

a)

als een voet

b)

als een bloemkool

c)

als een vuist

38.

Een pasgeborene heeft een hogere hartslag dan een volwassen persoon.

a)

waar

b)

niet waar

39.

Via de ............. gaat bloed naar de lever toe

a)

poortader

b)

leverslagader

c)

poortader en leverslagader

d)

poortader en leverader

40.

Slagaders voeren bloed ..........

a)

naar het hart toe

b)

van het hart af

41.

ALLE slagaders vervoeren zuurstofrijk bloed

a)

Juist

b)

Onjuist

42.
 Pompt het hart 4 tot 5 liter bloed per minuut rond?
a)
ja
b)
Nee
43.
Wat is de functie van het hart?
a)
Zuurstof aan het bloed toevoegen
b)
Rondpompen van bloed
c)
Het voelen van emoties
d)
Afvalstoffen uit bloed halen
44.
Bloedvat A is een
a)
slagader
b)
ader
c)
haarvat
45.
Bloedvat C heeft
a)
geen kleppen in de wanden
b)
wel kleppen in de wanden
46.
Welke kenmerk hoort niet bij slagaders?
a)
Liggen diep in het lichaam
b)
Hoge bloed druk
c)
Dikke elastische wand
d)
Bevat veel kleppen
47.

Welke van onderstaande bloedvaten is zuurstofarm

a)

Aorta

b)

Kransslagader

c)

Longslagader

d)

Longader

48.

Waar bevinden zich de halvemaanvormige kleppen?

a)

Tussen de boezems en de kamers

b)

Aan het begin van de longader

c)

Tussen de boezems

d)

Aan het begin van de longslagader en de aorta

49.

Wat is het grootste bloedvat van ons lichaam?

a)

aorta

b)

longslagader

c)

poortader

d)

borstbuis

50.

Wat is een belangrijk kenmerk van haarvaten?

a)

Haarvaten vervoeren het bloed naar het hart toe

b)

Haarvaten hebben dikke wanden

c)

Haarvaten hebben zeer dunne, halfdoorlatende wanden

d)

Haarvaten vervoeren het bloed van het hart af

51.

Waar bevinden de haarvaten zich in de bloedsomloop?

a)

Aan de binnenkant van aders

b)

Aan de binnenkant van slagaders

c)

In alle organen

d)

Alle antwoorden zijn juist

52.

Waaruit bestaat het bloedvatenstelsel van de mens?

a)

hart

b)

hersenen

c)

bloedvaten

d)

zenuwen

53.

Is de longslagader zuurstofrijk of zuurstofarm?

a)

zuurstofrijk

b)

zuurstofarm

54.

Wat is de functie van hartkleppen?

a)

zorgen ervoor dat het bloed sneller stroomt

b)

zorgen ervoor dat het bloed niet terug kan stromen

c)

zorgt ervoor dat het bloed niet kan klonteren

55.

Waar zitten de halvemaansvormige kleppen?

a)

tussen boezem en kamer

b)

aan het begin van de aorta

c)

aan het begin van de longslagader

d)

aan het begin van de longader

56.

Hoe noemen we deze kleppen?

a)

hartkleppen

b)

halvemaanvormige kleppen

57.

Met welk nummer is een slagader aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

58.

Wat is dit voor een bloedvat?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

59.

Waar worden zuurstof en voedingsstoffen afgegeven aan het bloed?

a)

slagaders

b)

aders

c)

haarvaten

60.

In welk bloedvat is de bloeddruk hoog?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

61.

Welke wand is het dunst?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

62.

Welke bloedvaten gaan van het hart af?

a)

slagaders

b)

aders

c)

haarvaten

63.

Welke bloedvaten lopen naar het hart toe?

a)

slagaders

b)

aders

c)

bloedvaten