NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsZeebenen
Total questions: 40
Worksheet time: 20mins
Name
Class
Date
1.
aan boord
a)
Op het schip.
b)
Buiten op de vloer van een schip.
c)
Aan land.
2.
aan dek
a)
Aan land.
b)
Op het schip.
c)
Buiten op de vloer van een schip.
3.
aan wal
a)
Buiten op de vloer van een schip.
b)
Op het schip.
c)
Aan land.
4.
bakboord
a)
De linkerkant van een schip.
b)
De rechterkant van een schip.
c)
De richting.
5.
machtig
a)
Heel erg en droevig, maar niemand kan er iets aan doen.
b)
Groot, geweldig, indrukwekkend.
c)
Apart, alleen, eenzaam.
6.
stuurboord
a)
De linkerkant van een schip.
b)
De rechterkant van een schip.
c)
De richting.
7.
tragisch
a)
Heel erg en droevig, maar niemand kan er iets aan doen.
b)
Groot, geweldig, indrukwekkend.
c)
in gevaar zijn.
8.
de sleepboot
a)
Een kleine sterke motorboot die andere schepen achter zich aan kan trekken.
b)
Een boot die dagelijks tussen twee plaatsen vaart.
c)
Een schip dat gemaakt is om veel mensen te vervoeren.
9.
de veerboot
a)
Een grote, dure boot die iemand voor zijn plezier heeft.
b)
Een groot schip waar spullen mee vervoerd worden over het water.
c)
Een boot die dagelijks tussen twee plaatsen vaart.
10.
de vloot
a)
Een boot die dagelijks tussen twee plaatsen vaart.
b)
Een groep schepen.
c)
Een groot schip waar spullen mee vervoerd worden over het water.
11.
het binnenvaartschip
a)
Een schip dat spullen vervoert over rivieren en kanalen.
b)
Een grote, dure boot die iemand voor zijn plezier heeft.
c)
Een kleine sterke motorboot die andere schepen achter zich aan kan trekken.
12.
het passagiersschip
a)
Een grote, dure boot die iemand voor zijn plezier heeft.
b)
Een schip dat gemaakt is om veel mensen te vervoeren.
c)
Een boot die dagelijks tussen twee plaatsen vaart.
13.
het vrachtschip
a)
Een schip dat gemaakt is om veel mensen te vervoeren.
b)
Een boot die dagelijks tussen twee plaatsen vaart.
c)
Een groot schip waar spullen mee vervoerd worden over het water.
14.
het zeiljacht
a)
Een groep schepen.
b)
Een grote, dure boot die iemand voor zijn plezier heeft.
c)
Een kleine sterke motorboot die andere schepen achter zich aan kan trekken.
15.
de bemanning
a)
De mensen die op een schip werken.
b)
Het deel van het leger dat op schepen en op het water werkt.
c)
Iemand op een varend schip.
16.
de marine
a)
Het kind van ouders die op een binnenvaartschip wonen en werken.
b)
Het deel van het leger dat op schepen en op het water werkt.
c)
De mensen die op een schip werken.
17.
de opvarende
a)
Het kind van ouders die op een binnenvaartschip wonen en werken.
b)
Iemand die reist in een auto, trein of schip.
c)
Iemand op een varend schip.
18.
de passagier
a)
Iemand die reist in een auto, trein of schip.
b)
De mensen die op een schip werken.
c)
Iemand op een varend schip.
19.
het schipperskind
a)
Iemand die reist in een auto, trein of schip.
b)
Het kind van ouders die op een binnenvaartschip wonen en werken.
c)
Iemand op een varend schip.
20.
de aanvaring
a)
Een botsing bij het varen.
b)
Een groot en ernstig ongeluk met een schip.
c)
Een teken dat je geeft als je in nood bent.
21.
de horizon
a)
De richting.
b)
De lijn in de verte waar de lucht en de aarde elkaar lijken te raken.
c)
De rechterkant van een schip.
22.
de kade
a)
Een reis over het water.
b)
De lijn in de verte waar de lucht en de aarde elkaar lijken te raken.
c)
Een dikke muur waar boten kunnen aanleggen en laden en lossen.
23.
de koers
a)
De richting.
b)
De linkerkant van een schip.
c)
De rechterkant van een schip.
24.
de overtocht
a)
Een botsing bij het varen.
b)
Een reis over het water.
c)
Een groot en ernstig ongeluk met een schip.
25.
de reddingsactie
a)
Een groot en ernstig ongeluk met een schip.
b)
Een teken dat je geeft als je in nood bent.
c)
Wat je doet om iemand die in nood is te helpen.
26.
de scheepsramp
a)
Een groot en ernstig ongeluk met een schip.
b)
Een teken dat je geeft als je in nood bent.
c)
Wat je doet om iemand die in nood is te helpen.
27.
het internaat
a)
Een reis over het water.
b)
Een plek waar kinderen door de weeks wonen.
c)
De lijn in de verte waar de lucht en de aarde elkaar lijken te raken.
28.
het noodsignaal
a)
Wat je doet om iemand die in nood is te helpen.
b)
De richting.
c)
Een teken dat je geeft als je in nood bent.
29.
de boeg
a)
De voorkant van een schip.
b)
Een dikke muur waar boten kunnen aanleggen en laden en lossen.
c)
Een bed in een boot.
30.
de kajuit
a)
De kamer op het schip om te sturen en alles in de gaten te houden.
b)
Een soort huisje op een schip waar je droog en warm kunt zitten.
c)
De voorkant van een schip.
31.
de kombuis
a)
Een soort huisje op een schip waar je droog en warm kunt zitten.
b)
De kamer op het schip om te sturen en alles in de gaten te houden.
c)
De keuken in een schip.
32.
de kooi
a)
Een bed in een boot.
b)
Een soort huisje op een schip waar je droog en warm kunt zitten.
c)
De voorkant van een schip.
33.
de stuurhut
a)
Een bed in een boot.
b)
De kamer op het schip om te sturen en alles in de gaten te houden.
c)
Een soort huisje op een schip waar je droog en warm kunt zitten.
34.
afgezonderd
a)
Apart, alleen, eenzaam.
b)
Zinken na een ongeluk.
c)
Zorgen dat iemand veilig is en goed verzorgd wordt.
35.
contact onderhouden
a)
Zorgen dat iemand veilig is en goed verzorgd wordt.
b)
Met elkaar praten of schrijven als je niet bij elkaar kunt zijn.
c)
Een schip of vrachtwagen leegmaken, uitladen.
36.
in nood zijn
a)
Zinken na een ongeluk.
b)
Doodgaan door een ongeluk.
c)
in gevaar zijn.
37.
lossen
a)
Een schip of vrachtwagen leegmaken, uitladen.
b)
Zorgen dat iemand veilig is en goed verzorgd wordt.
c)
Met elkaar praten of schrijven als je niet bij elkaar kunt zijn.
38.
omkomen
a)
in gevaar zijn.
b)
Doodgaan door een ongeluk.
c)
Zinken na een ongeluk.
39.
onderbrengen
a)
Zorgen dat iemand veilig is en goed verzorgd wordt.
b)
Met elkaar praten of schrijven als je niet bij elkaar kunt zijn.
c)
Een schip of vrachtwagen leegmaken, uitladen.
40.
vergaan
a)
Apart, alleen, eenzaam.
b)
Zinken na een ongeluk.
c)
in gevaar zijn.
Reset
